De stem van zijn baasje

 Al weer drie avonden achtereen schettert vrijwel onafgebroken ‘Indian Love Call’ door mijn kamer; een lied uit de musical ‘Rose-Marie’ uit 1924 van de componist/pianist Rudolf Friml. (U weet wel)

De artiest die de vertolking van dit nummer niet geheel onverdienstelijk (op cinemaorgel) voor zijn rekening neemt is Jesse Crawford, maar ondanks het feit dat de beste man in zijn dagen bekend stond als ‘Poet of the organ, Wizard of the Mighty Wurlitzer’  durf ik zomaar te vermoeden dat ook zíjn naam niet direct een belletje bij u doet rinkelen.

Enfin.
Doet er ook eigenlijk niet toe.
‘Indian Love Call’ is best wel een beroerd nummer, namelijk.
Bovendien is ‘Musical’ niet bepaald mijn genre.
En als ik érgens een bloedhekel aan heb dan is het wel aan orgel, in welke vorm dan ook.

‘Waarom uzelve dan toch keer op keer pijnigen met dat zelfde lied’, is de vraag die u mij met recht zou mogen stellen.
Welaan, dat zal ik u verklappen, al is het antwoord voor u waarschijnlijk even onbevredigend als nietszeggend: ‘ik kreeg het cadeau bij een aanschaf die ik zondag jongstleden deed’.

Mocht u ter broodnodige variatie echter de laatste van Coldplay, Radiohead of (desnoods) Britney Spears in de aanbieding hebben, dan houd ik mij daarvoor van harte aanbevolen.

Maar dan wel graag op 78 toeren…

Verder lezen

(Herh.)

Vanmiddag leiden alle wegen naar het Zuiden. Nee, er zal niet veel veranderd zijn daar. Waar de vrouwen een jasschort dragen, Jezus immer aan het kruis hangt, de enige eetgelegenheid Au Pied de Cochon heet en waar de mannen zich op zondagmiddag verzamelen in het café om steeds uitgelatener te worden door het bier en het tijdelijk afwerpen van het echtelijk juk – o zaligheid.

Wij zijn dus even weg. Salut!

Het einde van de tussentijd

Het was halverwege de jaren negentig. Kurt Cobain schoot zich dat voorjaar door zijn hoofd en ik belde mijn vriendje van de middelbare school om het erover te hebben – onze verkering was immers begonnen op de dag dat hij ‘Polly’ voor me speelde op zijn gitaar – maar we wisten niet veel tegen elkaar te zeggen. Ik was één kilo aangekomen en woog nu negenenveertig kilo. Mijn ouders leken zich minder zorgen om me te maken; in ieder geval maakte ik me minder zorgen om hen.
Ik leidde nu mijn eigen leven, vanaf de dag dat ik het provinciestadje waar ik was opgegroeid had verruild voor Amsterdam. Al snel had ik een trage routine ontwikkeld; die acht uur hoorcollege in de week vergden weinig inspanning. Ik genoot ervan om een paar haltes eerder uit de tram te stappen en over het Waterlooplein naar de Oudemanhuispoort te slenteren. Eenmaal in de collegezaal werd ik vooral in beslag genomen door het observeren van mijn medestudenten. Zo was er de punker die altijd twee verschillend gekleurde schoenen droeg en als mensen hem daarop aanspraken triomfantelijk riposteerde: “Jij draagt anders ook twee verschillende schoenen. Heb je daar wel eens over nagedacht?” En de mooie jongen met het zwarte haar die eigenlijk liever automonteur wilde worden dan filosoof, het labiele meisje dat een relatie had met een bekend acteur, de graatmagere vrouw die steevast gewapend met een kussentje de collegezaal betrad, het lelijke meisje dat drie klassen overgeslagen had en alles beter wist. Met sommige van hen raakte ik min of meer bevriend, het soort toevallige vriendschap dat even onopgemerkt begint als weer verdwijnt.
Als ik geen college had, wandelde ik vaak tegen het middaguur langs de Ringvaart naar de lunchroom van Kwekkeboom. Daar bestelde ik een koffie verkeerd, die altijd werd geserveerd met een vierkantje smeuïge boterkoek, waar ik me bij het wakker worden al op kon verheugen. Na de koffie rookte ik een sigaret en keek uit het raam naar de mensen die voorbijkwamen. De meesten spoedden zich voort maar er waren ook mensen bij zoals ik, mensen die geen enkele haast leken te hebben. Ik bevond me in de tussentijd en dat beviel me wel.

Verder lezen

Scenes from a campsite (2)

‘Zijn we eigenlijk niet een beetje asociaal bezig?’, vroeg mijn vriendin terwijl we op die eerste dag, in het zonnetje voor onze tent gezeten, ons ontbijt genoten.
Met mijn wenkbrauwen fronste ik om verduidelijking.
‘Nou’, zo kwam mijn vriendin aan dit verzoek tegemoet, ‘ik bedoel: nemen we met die kolossale tent van ons, met al die scheerlijnen en zo, en die luifels naar drie kanten toe eigenlijk niet véél te veel ruimte in beslag, vergeleken bij de buurtjes?’

‘Hmmm’, knikte ik geestdriftig terwijl ik met een slok aanmaak-espresso mijn laatste hap croissant met-roomboter-en-kersenjam wegspoelde, ‘grappig dat je daar over begint’, en ik voelde terstond hoe een breeduitgesponnen en oeverloos antwoord op haar prangende vraag in mij begon op te borrelen.
Niet dat m’n vriendin daar om vroeg, laat stáán dat ze er op zat te wáchten, maar dat kon mij al niet meer weerhouden: ik hoor mijzelf namelijk véél te graag praten.

‘Om je in te laten zien waarom ik allerminst wakker lig van die -overigens alleszins begrijpelijke!- vraag die jou klaarblijkelijk kwelt, is het allereerst van belang dat wij enige klaarheid scheppen betreffende aard en wezenskenmerken van de gelegenheidsgemeenschap waarbinnen wij ons thans bevinden’, zo begon ik te orakelen.

Verder lezen

Scenes from a campsite (1)

Het liep al flink tegen duister toen m’n vriendin bij de camping-receptie kond deed van onze aankomst. ‘Laat mij dit maar even regelen’, had ze gezegd, ‘voor je het weet raak jij weer met die vent over teen of tander aan de praat en dan staat die tent van ons tegen middernacht nóg niet’.
En gelijk hád ze, natuurlijk, maar dat liet onverlet dat ik toch slechts met tegenzin de regie uit handen gaf en zeker niet eerder dan dat de doorgewinterde kampeerder in mij haar nog enkele waardevolle adviezen op het hart had gedrukt.’

Verder lezen

Na de begrafenis

kocht ik couscous, kikkererwten en koriander bij Buurman Cent, at een softijsje in het hart van misschien wel het lelijkste centrum van Nederland, kookte voor mijn ouders terwijl Antony zong, reed in plaats van naar Katwijk per ongeluk naar de Wassenaarse Slag, zwom in zee, bietste een sigaret, tuurde met toegeknepen ogen in de zon, zuchtte eens diep, aanvaardde de terugtocht, neuriede de hele reis ‘Welk een vriend is onze Jezus’, nam een slok rode wijn en vleide mij verdrietig maar voldaan tegen een sterke schouder.

‘s Nachts droomde ik dat ik naast opa in de auto zat. Hij zat achter het stuur. We lachten naar elkaar. Ik maakte nog een foto van hem. Bij een bushalte stapte ik uit; mijn opa reed door. Naar Noorwegen, naar de Hardangervidda, waar mijn oma op hem wacht.

Ja…

…het was een weergaloos weekend, daar op Vlieland.
Sowieso plezierig om een paar daagjes door niets dan zee omringd te zijn (Prachtige vergezichten! Adembenemende wolkenpartijen! Onafzienbare strandvlaktes!) edoch: wat één en ander nóg meer glans gaf was de directe aanleiding van mijn tijdelijk verblijf op dit schitterend Waddeneiland, te weten: ‘de bruiloft van een goede, goede vriend’.

Reeds maanden her had hij mij verzocht de 12e dag van de maand juli vrij te houden opdat ik getuige kon zijn van de wijze waarop hij met zijn vriendin in het huwelijk zou treden. Sterker nog: ik zou van dit memorabel moment niet slechts getuige, maar zelfs Getuige mogen zijn!
Voorwaar een Onwaarschijnlijke Eer voor een onbeduidend krabbelaar als ondergetekende!

Aan de andere kant: van wie had hij beter een handtekening kunnen verlangen dan van een geoefend en door de wol geverfd krabbelaar?

Verder lezen

Westerpark, 12 juli 2008

Uitgaande smsjes tussen 19.00 en 02.00 uur:

Westerpark voor Terschelling Vlieland, óver. De spanning loopt op, net een merel overreden dus moet haast wel weer een legendarische avond worden. Ik meld me later nog. Over en sluiten. X

Onwerkelijk. Hij is net begonnen, met ‘dance me to the doe of love’, ik sta helemaal te trillen

End of love dus, m’n handen doen even niet wat ik wil. Wat is dit mooi!

There is a crack in everything, that’s how the light gets in… De zon is hier doorgebroken. Dit is onwerkelijk. Dit is zo mooi. Dit is ongelofelijk.

Hallelujah

Er zijn geen woorden voor; er is iets gebeurd vanavond

Dit dragen we de rest van ons leven mee. X!

Dance me to your beauty with a burning violin
Dance me through the panic ’til I’m gathered safely in
Lift me like an olive branch and be my homeward dove
Dance me to the end of love
Dance me to the end of love
Oh let me see your beauty when the witnesses are gone
Let me feel you moving like they do in Babylon
Show me slowly what I only know the limits of
Dance me to the end of love
Dance me to the end of love

L’ennui

Met de uren tussen vier en zes in de middag is iets raars aan de hand. Om half vier voel je ze al aankomen, ze werpen hun schaduw vooruit en langzaam kruipt de vermoeidheid vanuit je schouders je hele lichaam door. Het liefst wil je onder je bureau gaan liggen en slapen, heel lang slapen. Als de klok vier slaat, heeft de moeheid definitief bezit van je genomen.
En dan, als je niet weet waar je het kleinste sprankje hoop nog vandaan moet halen, begint het hard te regenen. De lucht is grijs, het hart loodzwaar. Het gemoed probeert zich wanhopig vast te grijpen aan iets, maakt niet uit wat, maar er is niks.
Uit de radio in de kamer naast je klinkt Fleetwood Mac… you can go your own way… mijn God, op hoeveel eindeloos grijze middagen heb je dat nummer al niet voorbij horen komen? Je zou willen dat er nu, voordat alles nog meer vertraagt, een soort cliniclown voor de ziel op zou duiken, die je op sleeptouw neemt, de dingen weer inkleurt, je opvangt, aanvult en aan het lachen maakt. Tot je er buikpijn van hebt, niets meer voelt en nergens meer aan denkt behalve aan het lachen zelf.
Later, als alles weer voorbij is, luister je naar Rufus Wainwright en lach je hardop om jezelf. Stel je voor, een cliniclown voor de ziel! Waar haalde je het toch vandaan? Cliniclowns zijn enge dingen, net zoals mensen die zingen dat het altijd lente is in de ogen van de tandartsassistente.
Het ís niet altijd lente. En inmiddels kun je daar steeds beter mee leven.

Perpetuum mobile

“Misschien moeten we ermee stoppen.”
“Drie maanden is ook wel zo’n beetje de uiterste houdbaarheidsdatum van dit soort dingen.”
“Van vrijblijvende ‘we-zien-wel’-dingen bedoel je.”
“Ja.”
“Wat vind je er dan van, als we stoppen?”
“Prima.”
“Oké. Dat vind je prima?”
“Ja.”

“Maar dan ben ik toch nog nieuwsgierig hè. Wat vínd je eigenlijk van mij?”
“Ik vind je wel leuk.”
“Ik vind jou ook wel leuk. Maar ook… ráár.”
“Dat hoor ik vaker. Misschien ben ik raar, het interesseert me niet.”
“Maar als je me alleen maar ‘wel leuk’ vindt, hoe kunnen de afgelopen maanden dan zo bijzonder zijn geweest?”
“Je zegt net dat je mij ook ‘wel leuk’ vindt, dus waar gaat dit over? Ik vond het ook heel bijzonder. Maar meer niet. Ik heb toch meteen al gezegd dat ik niet verliefd op je ging worden.”
“Nou, ik ben ook niet verliefd op jou hoor.”
“Mooi zo.”
“Inderdaad.”

“Nou, dat was het dan. Het ga je goed.”
“Ja… hee… Gek om je niet meer te zien. Ik wil eigenlijk wel vrienden blijven.”
“Vrienden? Maar… ik weet niet hoor. Volgens mij is het voor mij in ieder geval beter om duidelijkheid te scheppen en elkaar een tijdje niet te zien.”
“Oké. Als jij dat wil. Ik ga je wel missen.”
“Hm.”
“Wat doe je vanavond?”

Als de rook om je hoofd is verdwenen

Stoppen met roken. Dat ga ik doen. Vanaf 1 juli. Ik ga wortelen, radijsjes, bleekselderij, kauwgom en lollies in huis halen voor moeilijke orale momenten. Ik ga hardlopen, zwemmen en ademhalen. Ik ga mijn plannen uitvoeren, in plaats van ze -onderwijl een sigaret rokend- bedénken. Ik ga mijn leven niet, ik herhaal níet, in rook op laten gaan. Ik ga mezelf interessant vinden terwijl ik aan een wortel knaag. Ook zonder een pakje peuken bij de hand kan ik lezen, schrijven, praten, drinken.

Peuken. Het woord alleen al. Heerlijk! De hele wereld, alles, álles!, zit in die ene sigaret, telkens weer - mits het een Lucky Strike is natuurlijk.

Hm, ik heb zo’n vermoeden dat het niet makkelijk gaat worden.