Bij de coöp-om-de-hoek verkopen ze sinds twee weken Lotus’ speculoospasta, een lezer uit Teteringen stuurde een ingezonden brief naar Trouw om Noraly Beyer te bedanken voor haar jarenlange bijdrage aan het Journaal met ’kraakheldere stem en mooi geluidstimbre’, mijn rode verjaardagsjurkje was een succes, het aantrekken van mijn verjaardagsjurkje betekende dat ik mijn Jezusjaar heb overleefd, Beatrijs gaat gewoon dóór in 2009, ik kreeg van zowel mijn huidige als van mijn vorige vriendje een fijn boek voor mijn verjaardag -waarvan de schrijver van het ene boek de achterflaptekst van het andere boek schreef (een mooi toeval waaruit ik opmaak dat alles goed is zoals het is)-, de afgelopen weken zagen we heel veel leuke en lieve mensen en sinds het me een maand geleden per geluk ontglipte, zeg ik ‘we’.
Ja, het kan!
“It’s been a long time coming, but tonight, because of what we did on this date,
in this election, at this defining moment, change has come to America.”
Uit de overwinningstoespraak van Barack Obama
Zou het dan echt?
Oh and just like the river I’ve been running ever since
It’s been a long, a long time coming
But I know a change gonna come, oh yes it will
It’s been too hard living but I’m afraid to die
Cause I don’t know what’s up there beyond the sky
It’s been a long, a long time coming
But I know a change gonna come, oh yes it will
I go to the movie and I go downtown
Somebody keep telling me don’t hang around
It’s been a long, a long time coming
But I know a change gonna come, oh yes it will
Then I go to my brother
And I say brother help me please
But he winds up knocking me
Back down on my knees
There been times that I thought I couldn’t last for long
But now I think I’m able to carry on
It’s been a long, a long time coming
But I know a change gonna come, oh yes it will
Middernachtelijke dialoog
“Hmm…(gaap)… wat doe je?”
“Ik ga even water pakken.”
“Oh. Ik stond net in de bibliotheek naast Johan Cruijff.”
“Je stond net in de bibliotheek naast Johan Cruijff?”
“Ik zei: ‘Dag meneer Cruijff’ en toen lachte ie naar me.”
“Tjee.”
“Ja.”
“Had ie ook boeken geleend?”
“Ja, wat literaire werken, een paar boeken over voetbal (alsof ie die nodig zou hebben!) en het kookboek: ’Eieren zo groot als kastelen bakken’.”
“…?!”
“Zzzzz…”
Geheel in de geest van George
Zondag waren we op die fijne plek. En luisterden naar een paar van Nederlands beste muzikanten die een paar van de beste nummers ooit geschreven ten gehore brachten. Het was een onbeschrijfelijk fijne middag, zo een die zich dus nooit in woorden laat vangen.
Behalve dan dat ik er heel gelukkig van werd. Dat ze Savoy Truffle speelden en I’d have you anytime en What is Life en All things must pass en Bangladesh en natuurlijk My Sweet Lord en… en… en dat ik, in dat intieme zaaltje met de roodfluwelen gordijnen langs de wanden, opeens alleen nog maar uit muziek bestond. M’n hele ego was verdwenen!
Een jaar lang eenmalig fan
Gisterenavond zat ik op de bank te denken over de zin van het leven enzo, toen er op mijn kamerdeur werd geklopt. Het was de bovenbuurvrouw die mij haar telefoon gaf: “Het is iemand van de NCRV en hij belt op mijn telefoon maar hij vraagt speciaal naar jou.”
In een fractie van een seconde schoten verschillende scenario’s door mijn hoofd. Hadden ze mijn CV toevallig ergens daar liggen? Waren ze op zoek naar de nieuwe Mieke van der Wey? Of naar een frisse presentatrice voor een eigentijdse variant van Weg van de Snelweg? Misschien zochten ze leuke gewone mensen voor een nieuw programma over leuke gewone mensen.
Vol verwachting maar naar ik hoopte met de nodige cool in mijn stem, zei ik: “Dag, met Nina van Zoomeren”, ervan uitgaand dat mijn naam al menig belletje deed rinkelen daar bij de NCRV in Hilversum. “Dag mevrouw Van Zoomeren”, klonk het -ik had toen reeds kunnen weten dat het mis was. “Kent u Man Bijt Hond?” Ja, natuurlijk! Verslaggever bij Man Bijt Hond, had ik dat inderdaad niet ooit geambieerd? En als ze hier met camera en al wilden aanschuiven voor de avondmaaltijd, ook nog een optie, nou, dan waren ze van harte welkom. “Zeker”, antwoordde ik, enthousiast maar niet te gretig.
Er viel een korte stilte.
Brandend van nieuwsgierigheid wachtte ik af. “En Praatjesmakers? Kent u dat?”, vervolgde de jongeman het gesprek. Verbouwereerd antwoordde ik: “Nee”. Toen: “Ja.” En: “Liever niet.” De jongeman lachte. “Oké. En Hello Goodbye. Kent u dat?” Wat moest ik zeggen? “Heb ik wel eens gezien”, mompelde ik.
“Sorry, ik versta u niet goed.”
“Ja eh, heb ik wel eens een enkele keer gezien. Bij de kapper.”
“Oké. En Villa Felderhof. Kent u dat?”
“Ja, ken ik”, zei ik lijdzaam, mij voegend in mijn -zoveel was me inmiddels wel duidelijk- weinig glorieuze rol. “Mooi. En als u nu uit deze programma’s een programma mocht kiezen, welke zou u dan kiezen?”
Mijn verzet was gebroken.
“Man Bijt Hond.”
“Oké. Man Bijt Hond dus.”
“Ja”, stamelde ik en met een genadeloos gevoel voor zelfkastijding voegde ik daar nog aan toe: “Dat vind ik dan nog wel een leuk positief programma voor de mensen. Over leuke gewone mensen enzo.”
“Goed. Want weet u, de NCRV zoekt namelijk om haar zendtijd niet gehalveerd te zien worden fans voor haar programma’s. Voor 15 euro kunt u eenmalig een jaar lang fan worden van Man Bijt Hond, zodat uw lievelingsprogramma gegarandeerd op de buis blijft.”
Behalve met een levendige fantasie ben ik ook gezegend met de ruggengraat van een weekdier. Ik ben nu dus een jaar lang eenmalig fan van Man Bijt Hond. Over een paar dagen ligt er een Man Bijt Hond-presentje, speciaal geadresseerd aan Nina van Zoomeren, in mijn brievenbus. Ik kan haast niet wachten.
‘Zie je wat aan me?’
“Je haar! Je haar is anders.”
“Dat was de vorige keer dat je me zag ook al zo.”
“Andere kleur dan?”
“Nee. Kijk nog eens goed.”
“Een pony, die had je eerst niet, toch?”
“Wel.”
“Oh.”
“Ja.”
“Wacht. Is er iets met je jukbeenderen? Die steken verder uit. Kan dat?”
“Ik weet niet of dat kan.”
“Dat je afgevallen bent ofzo, een smaller gezicht hebt.”
“Volgens mij niet hoor. Dat bedoel ik in ieder geval niet.”
“Je bent een beetje bruin, is dat het? Ben je onder de zonnenbank geweest?”
“Nee.”
“Oorbellen, je hebt nieuwe oorbellen.”
“Nee.”
“Nu zie ik het! Ja! Je hebt je wenkbrauwen geëpileerd!”
“Nee.”
“Iets met je neus, je neusgaten zijn kleiner.”
“Nee.”
“Je bril! Je hebt je bril niet op!”
“Ik heb geen bril.”
“O ja.”
“Kijk nu nog eens goed!”
“Wat zit je nou raar te lachen?”
“Kíjk dan!”
“Je tanden, je hebt je tanden laten bleken!”
“Néé!”
Hij is-t-er uit!
‘In deze man verliest ze een liefde’
Het is een artikel uit de NRC, geschreven door Pieter Steinz. In de serie ‘Zwanenzangen’, over het laatste opvallende nummer van popmusici die voortijdig en op het hoogtepunt van hun roem overleden. Het verscheen op de dag dat Jacques Brel 18 jaar dood was: 9 oktober 1996.
Vandaag 12 jaar geleden dus.
Dit is het enige ingelijste artikel, van al die krantenknipsels en stukjes die ik destijds de moeite waard vond om in te lijsten en op te hangen, dat niet ergens in een doos ligt te verstoffen. Bij de laatste verschuiving (zoiets als een verhuizing maar dan anders) in mijn leven kwam ik het artikel -met een prachtige foto van Brel, even schalks als gekweld en met een sigaret in zijn mondhoek geklemd- weer tegen en ik besloot het niet terug te stoppen in de doos waar het uit tevoorschijn kwam.
Sindsdien staat de lijst een beetje doelloos en onbeholpen in mijn boekenkast. Ik twijfel. Kan ik een artikel dat ik in 1996 uitknipte en inlijstte nu nog steeds ophangen, nu de grond onder mijn voeten na talloze aardverschuivingen er zo anders uitziet? Ik weet het antwoord wel. Brel was er al vóór alles en hij is altijd gebleven en hij gaat nooit weg.
‘Het is het droevigste afscheidslied dat ik ken. In de vertrekhal van een groot vliegveld, vlak voor een point of no return, staan een man en een vrouw tegenover elkaar. (…) Niemand die luistert naar het chanson ‘Orly’ zal eraan twijfelen: dit is geen afscheid voor een maand, voor een jaar, dit is een afscheid voor het leven. (…) Brels ‘Orly’ is geen romantiek met een monter accent, zoals die andere beroemde afscheid-op-het-vliegveldscène, in Casablanca. Het is een langzame danse macabre die duidelijk maakt dat weggaan soms hetzelfde als sterven is. Als er iets pijn doet, lijkt de doodzieke Brel te willen zeggen, dan is ‘t het snijden – veel meer dan het afgesneden zijn.’
Fragmenten uit het NRC-artikel ‘In deze man verliest ze een liefde’, door Pieter Steinz, verschenen op 9 oktober 1996.
Sinterklaas zit in de lucht
“Er wordt zoveel gekletst hier.”
“Ongelofelijk veel. En jullie zijn nu eenmaal voer voor speculaties.”
“Ja.”
“Je weet hoe dat gaat.”
“Voer voor speculaasjes.”
“Inderdaad.”
Het is niet alleen de herfst die mij aan het huilen maakt
Op de radio een (mannelijke) presentator aan een vrouw die een therapieprogramma voor verkrachte meisjes heeft ontwikkeld horen vragen: “Maar eh… het kán natuurlijk niet, maar eh… die meisjes voelen zich vies, terwijl je zou het toch ook… ik bedoel, het heeft toch ook met begeerte te maken. Waarom hoor je zo vaak dat meisjes zich vies voelen daarna?”
Weten dat er een wanhopig mens op de Waalbrug zit en kennisnemen van de reacties van andere mensen: ”Hop, onder stroom zetten die brug!” “Er zijn tóch al genoeg buitenlanders, we kunnen er wel eentje missen.” ”Ik heb zóóó lang in de file gestaan, waarom springt die vent niet gewoon?”
Donderdagavond met oma’s fotoboek
‘Mooie foto zeg, van u beiden.
U was een knapperd!
En opa mocht er trouwens ook best wezen.
Waren jullie hier al getrouwd?’
”s Kijke.
Nee hier hadden we net verkering.
21 was ik.
Jan dus 20.
Z’n broer Gerard had in die tijd ook een meisje.
Uit Rotterdam.
Hoe ze heette weet ik niet meer, nee.
En hoe ‘ie kennis aan haar had gekregen zou ik ook niet eens meer kunnen navertellen.
Rotterdam was in die tijd best een eind uit de richting namelijk, vanuit Hilversum gezien.’
Maar als je verkering kreeg gaf de een de ander een Heilig Hart-beeld.
Dat dééd je.
Tóen.
Dat was gebruik.
In ónze kringen dan.
Helaas ging het tussen Gerard en dat meisje in ene over.
Verdrietig ja, maar die dingen gebeuren.
Dus met goed fatsoen moest dat beeld toen natuurlijk wel naar haar terug.
Nou, toen heb Jan geopperd dat wij dat wel even bij haar zouden afleveren.
Dat beeld.
Maakten we er gelijk een daggie van.
Wij samen.
In Rotterdam.
Ik zie het nóg voor me: ‘Wij in die rammelende tram, Jan die dat beeld onder z’n jas strak tegen zich ‘an houdt om maar te voorkomen dat het breken zou.’
Hij had ‘t zweet op z’n voorhoofd staan.
We komen bij haar huis. Bellen aan. Ze doet open. Jan reikt ‘r dat beeld.
Maar klaarblijkelijk was ze nog best een beetje boos op Gerard.
Want ze pakt ‘t ‘an, en smijt ‘t voor onze voeten in duizend stukjes op het tuinpad kapot.
Oh, ik wis nie waar ik kijke moest!’
‘Jeetje oma!
Wat zonde!
Zo’n mooi beeld!’
‘Wat je zegt, jongen, wát je zegt.
En ook niet bepaald ‘katholiek’, om zoiets te doen.
Maar dat terzijde.
Aan de andere kant: een week later werd Rotterdam gebombardeerd.
Dus d’r zou sowieso niet veel van heel gebleven zijn….
Maar affijn.
Op die dag is deze foto dus gemaakt.
De ketting die ik daar draag had ik die ochtend van Jan gekregen.
Mooi he?
Heb een neefje van me – en ook van je vader dus eigenlijk- later nog eens kapot getrokken.
Per ongeluk hoor!
Was niets dan speelsigheid van ‘m.
Kijk, da’s toevallig: op dit kiekje heb je ‘t knaapje.
Zie dan toch: Zo’n braaf ventje!
Zoontje van m’n zus.
Drie weken na deze foto was ie dood.
Maar da’s weer een heel ander verhaal.’
Geef ons water
Het Nationaal Ouderenfonds is een campagne begonnen om eenzaamheid onder ouderen te bestrijden. Op de campagnesite is het volgende te lezen: Geef kleur aan het leven van eenzame ouderen! Gezelschap en aandacht zijn voor veel ouderen als water voor planten; ze hebben het nodig en fleuren er helemaal van op.
Nu heb ik helemaal niks tegen een campagne die mensen oproept om naar hun oudere medemens om te kijken. Want ik hou van oude mensen; eens in de twee weken praat ik met een groep ouderen, over -inderdaad ja- eenzaamheid, afhankelijkheid, verlies, familie, geluk, religie, hun jeugd… Met tranen in mijn ogen stapte ik op de fiets, na de eerste sessie met ‘mijn’ groep. Tranen van een vreemd soort geluk, van geraakt zijn in je diepste wezen. Ouderen zijn niet per se leuk, lief en aardig maar vaak wel ontzettend zichzelf.
Dus ja. Ik hou van oude mensen; ze gaan me aan het hart. In principe vind ik de campagne (en het Ouderenfonds) een goed initiatief, maar over de manier waarop had voor mij een seconde langer nagedacht mogen worden.
Niet dat het vergelijken van ouderen met planten mij te ver gaat. Neuh. Of… nou ja. Misschien gaat het toch net een íetsiepietsie te ver. De ouderen die ik ken, zijn namelijk heel anders dan de planten in mijn omgeving: zo praten ze terug en maken ze grapjes of lachen ze om grapjes die jij maakt. Ook knijpen ze vaak even in je hand als je afscheid van ze neemt.
Nee, het is omdat de campagne suggereert dat een oudere een apart soort mens is. Namelijk een mens die -rara, hoe kán het toch?- opfleurt van aandacht en gezelschap. En daar maak ik bezwaar tegen. Ik durf namelijk te beweren dat ouderen gewone mensen zijn, en dat álle mensen aandacht en gezelschap nodig hebben. Zonder water -en iemand die ons dat water geeft- wordt het immers niks in dit leven.
Ik lijk op Astrid Joosten en een erwt
“Weet je?”
“Hm?”
“Ik lijk op Astrid Joosten met dat nieuwe haar!”
“Ja-aa… Nu je het zegt. Met dat leren jasje ook. Ik zie wat je bedoelt.”
“Astrid Jóósten!”
“Is daar iets mis mee?”
“Is daar iets mis mee, is daar iets mis mee…”
“Zo erg is dat toch niet? Iedereen vond Astrid Joosten leuk.”
“Ja, in negentienvierentáchtig. ”
“Tja…”
“Ik had het zelf nooit moeten zeggen hè, dat ik nu op Astrid Joosten lijk.”
“Je had het nooit moeten zeggen.”
“Brrr. Koud is het.”
“Nee joh.”
“Wel, voel m’n voeten maar.”
“Die zijn toch niet koud?”
“Nou! Ik vind van wel.”
“Hoe moet dat straks, als het écht koud is?”
“Als het nóg kouder is, bedoel je?”
“Vooruit, als het nóg kouder is.”
“Een dikke pyjama, sokken en drie dekbedden.”
“Drie dekbe…?!”
“En soms ook nog een muts.”
“Een muts?”
“Ja.”
“En dríe dekbedden?”
“Ja, zoiets als de prinses op de erwt en dat ik dan de erwt ben.”
“…”
Mijn eerste schreden op het hospitapad
Uitgaande mail, dinsdagmiddag, 16.35 uur:
Hee! Ze hebben een filosoof voor me! Uit Duitsland, hij heet Friedrich en studeert af op Foucault.
Inkomende mail, dinsdagmiddag, 17.05 uur:
Grab him!
Telefoongesprek, dinsdagavond, 21.10 uur:
“Hello. Is this Friedrich? It’s about the room.”
“Yes, hello? Hello? Wait, I’ll walk to the other room because there is too much noise here.”
… (dronkenmansgelal op de achtergrond)…
… (gestommel)…
“This is better. So you have a room?”
“Yes, but I’m not sure if all your friends can come and live here as well.”
“Oh no. I wouldn’t want them to.”
“Okay. Do you want to come over tomorrow evening to see the room?”
“Yes, that would be great.”
“Eight o’clock?”
“That’s fine.”
“Okay, see you tomorrow at eight.”
“Yes. Bye.”
“Bye.”
Inkomende mail, woensdagochtend 05.36 uur:
Hi Nina,
See you tomorrow around 20h. Should I just knock on the frontdoor?
Friedrich
Uitgaande mail, woensdagochtend 11.25 uur:
Hello Friedrich,
We have a doorbell.
Nina
Wordt ongetwijfeld vervolgd…
Het leek zo’n gewone werkdag
Ik: “Dus in 1995 besloot het ministerie van VWS om prtt… krggtuchecuhuche…”
Intensive care-arts: “Gaat het?”
Ik: “Kgguchuche… heb een… kuchggg… sorry kriebel… prttuch… nou zeg…”
Intensive care-arts: “Ik kan je hier ter plekke intuberen.”
Ik, piepend: “Doet u eerst maar een glaasje water.”