To set sings left

Dear fellow human beings at the other side of the dutch borders,

I hope not that I take to much  of your time but there are some sings that must me of the heart and I like to use my website to say it.

So there we go then.

What I would like to say has got everysing to do with the elections of last week for the new European Parliament. I don’t really know how they went in your own country but with us here in Nederland there was one dude who came out of the nossing and  won extreme much votes. In principal that is not a problem of course, but I must say to that that this person has very much crazy ideas about people with an other colour or an other religion and he is screaming very hard in the hope that every people in Nederland will sink the same sings as him. And now it looks there thus on that he has great succes in doing so.

To say it honestly: I make myself big sorrows about that, because it seems that the actions and ideas of this politician are walking completely out of the hand.
Verder lezen

Donderdagavond met oma’s fotoboek

‘Mooie foto zeg, van u beiden.
U was een knapperd!
En opa mocht er trouwens ook best wezen.
Waren jullie hier al getrouwd?’

”s Kijke.
Nee hier hadden we net verkering.
21 was ik.
Jan dus 20.
Z’n broer Gerard had in die tijd ook een meisje.
Uit Rotterdam.
Hoe ze heette weet ik niet meer, nee.
En hoe ‘ie kennis aan haar had gekregen zou ik ook niet eens meer kunnen navertellen.
Rotterdam was in die tijd best een eind uit de richting namelijk, vanuit Hilversum gezien.’

Maar als je verkering kreeg gaf de een de ander een Heilig Hart-beeld.
Dat dééd je.
Tóen.
Dat was gebruik.
In ónze kringen dan.
Helaas ging het tussen Gerard en dat meisje in ene over.
Verdrietig ja, maar die dingen gebeuren.
Dus met goed fatsoen moest dat beeld toen natuurlijk wel naar haar terug.

Nou, toen heb Jan geopperd dat wij dat wel even bij haar zouden afleveren.
Dat beeld.
Maakten we er gelijk een daggie van.
Wij samen.
In Rotterdam.

Ik zie het nóg voor me: ‘Wij in die rammelende tram, Jan die dat beeld onder z’n jas strak tegen zich ‘an houdt om maar te voorkomen dat het breken zou.’
Hij had ‘t zweet op z’n voorhoofd staan.
We komen bij haar huis. Bellen aan. Ze doet open. Jan reikt ‘r dat beeld.
Maar klaarblijkelijk was ze nog best een beetje boos op Gerard.
Want ze pakt ‘t ‘an, en smijt ‘t voor onze voeten in duizend stukjes op het tuinpad kapot.
Oh, ik wis nie waar ik kijke moest!’

‘Jeetje oma!
Wat zonde!
Zo’n mooi beeld!’

‘Wat je zegt, jongen, wát je zegt.
En ook niet bepaald ‘katholiek’, om zoiets te doen.
Maar dat terzijde.

Aan de andere kant: een week later werd Rotterdam gebombardeerd.
Dus d’r zou sowieso niet veel van heel gebleven zijn….

Maar affijn.
Op die dag is deze foto dus gemaakt.
De ketting die ik daar draag had ik die ochtend van Jan gekregen.
Mooi he?
Heb een neefje van me – en ook van je vader dus eigenlijk- later nog eens kapot getrokken.
Per ongeluk hoor!
Was niets dan speelsigheid van ‘m.

Kijk, da’s toevallig: op dit kiekje heb je ‘t knaapje.
Zie dan toch: Zo’n braaf ventje!
Zoontje van m’n zus.

Drie weken na deze foto was ie dood.

Maar da’s weer een heel ander verhaal.’

De stem van zijn baasje

 Al weer drie avonden achtereen schettert vrijwel onafgebroken ‘Indian Love Call’ door mijn kamer; een lied uit de musical ‘Rose-Marie’ uit 1924 van de componist/pianist Rudolf Friml. (U weet wel)

De artiest die de vertolking van dit nummer niet geheel onverdienstelijk (op cinemaorgel) voor zijn rekening neemt is Jesse Crawford, maar ondanks het feit dat de beste man in zijn dagen bekend stond als ‘Poet of the organ, Wizard of the Mighty Wurlitzer’  durf ik zomaar te vermoeden dat ook zíjn naam niet direct een belletje bij u doet rinkelen.

Enfin.
Doet er ook eigenlijk niet toe.
‘Indian Love Call’ is best wel een beroerd nummer, namelijk.
Bovendien is ‘Musical’ niet bepaald mijn genre.
En als ik érgens een bloedhekel aan heb dan is het wel aan orgel, in welke vorm dan ook.

‘Waarom uzelve dan toch keer op keer pijnigen met dat zelfde lied’, is de vraag die u mij met recht zou mogen stellen.
Welaan, dat zal ik u verklappen, al is het antwoord voor u waarschijnlijk even onbevredigend als nietszeggend: ‘ik kreeg het cadeau bij een aanschaf die ik zondag jongstleden deed’.

Mocht u ter broodnodige variatie echter de laatste van Coldplay, Radiohead of (desnoods) Britney Spears in de aanbieding hebben, dan houd ik mij daarvoor van harte aanbevolen.

Maar dan wel graag op 78 toeren…

Verder lezen

Scenes from a campsite (2)

‘Zijn we eigenlijk niet een beetje asociaal bezig?’, vroeg mijn vriendin terwijl we op die eerste dag, in het zonnetje voor onze tent gezeten, ons ontbijt genoten.
Met mijn wenkbrauwen fronste ik om verduidelijking.
‘Nou’, zo kwam mijn vriendin aan dit verzoek tegemoet, ‘ik bedoel: nemen we met die kolossale tent van ons, met al die scheerlijnen en zo, en die luifels naar drie kanten toe eigenlijk niet véél te veel ruimte in beslag, vergeleken bij de buurtjes?’

‘Hmmm’, knikte ik geestdriftig terwijl ik met een slok aanmaak-espresso mijn laatste hap croissant met-roomboter-en-kersenjam wegspoelde, ‘grappig dat je daar over begint’, en ik voelde terstond hoe een breeduitgesponnen en oeverloos antwoord op haar prangende vraag in mij begon op te borrelen.
Niet dat m’n vriendin daar om vroeg, laat stáán dat ze er op zat te wáchten, maar dat kon mij al niet meer weerhouden: ik hoor mijzelf namelijk véél te graag praten.

‘Om je in te laten zien waarom ik allerminst wakker lig van die -overigens alleszins begrijpelijke!- vraag die jou klaarblijkelijk kwelt, is het allereerst van belang dat wij enige klaarheid scheppen betreffende aard en wezenskenmerken van de gelegenheidsgemeenschap waarbinnen wij ons thans bevinden’, zo begon ik te orakelen.

Verder lezen

Scenes from a campsite (1)

Het liep al flink tegen duister toen m’n vriendin bij de camping-receptie kond deed van onze aankomst. ‘Laat mij dit maar even regelen’, had ze gezegd, ‘voor je het weet raak jij weer met die vent over teen of tander aan de praat en dan staat die tent van ons tegen middernacht nóg niet’.
En gelijk hád ze, natuurlijk, maar dat liet onverlet dat ik toch slechts met tegenzin de regie uit handen gaf en zeker niet eerder dan dat de doorgewinterde kampeerder in mij haar nog enkele waardevolle adviezen op het hart had gedrukt.’

Verder lezen

Ja…

…het was een weergaloos weekend, daar op Vlieland.
Sowieso plezierig om een paar daagjes door niets dan zee omringd te zijn (Prachtige vergezichten! Adembenemende wolkenpartijen! Onafzienbare strandvlaktes!) edoch: wat één en ander nóg meer glans gaf was de directe aanleiding van mijn tijdelijk verblijf op dit schitterend Waddeneiland, te weten: ‘de bruiloft van een goede, goede vriend’.

Reeds maanden her had hij mij verzocht de 12e dag van de maand juli vrij te houden opdat ik getuige kon zijn van de wijze waarop hij met zijn vriendin in het huwelijk zou treden. Sterker nog: ik zou van dit memorabel moment niet slechts getuige, maar zelfs Getuige mogen zijn!
Voorwaar een Onwaarschijnlijke Eer voor een onbeduidend krabbelaar als ondergetekende!

Aan de andere kant: van wie had hij beter een handtekening kunnen verlangen dan van een geoefend en door de wol geverfd krabbelaar?

Verder lezen

Sans gêne

In tegenstelling tot de meesten van mijn leeftijdgenootjes, die het optreden van hun ‘ouwelui’ doorgaans met verlegenheid en kromme tenen bezagen, heb ik mij in mijn jeugd eigenlijk nimmer voor mijn ouders geschaamd.
Dat klinkt u ongetwijfeld wat ongeloofwaardig in de oren want u meent waarschijnlijk dat íedere vader of moeder in die kleine twintig jaar dat je met ze zit opgescheept toch óóit wel eens met een actie of opmerking uit de hoek komt waarbij je als kind het door schaamte scharlakenrood gekleurde hoofd negentig graden afwendt en je ouders liefst luidkeels verloochent door te beweren dat je eigenlijk bent geadopteerd en dus werkelijk niets maar dan ook helemaal níets met die clowns te maken hebt. Genetisch gezien althans. (En dat laatste is van belang want het is zonneklaar dat juist in dát begrip het woord ‘gêne’ haar oorsprong vindt)

Maar nee dus. Geloofwaardig of niet: ‘dergelijk plaatsvervangend ongerief kan ik mij onmogelijk heugen’.
Dat ik die horlepiep ben ontsprongen kan gelegen liggen in het feit dat mijn liefdevol respect voor de twee Halfgoden die mijn opvoeding zo warm en doortastend ter hand namen simpelweg té groot was om -in hun nabijheid, of als respons op hun handelen- de optie ‘schaamte’ überhaupt ook maar te dúrven overwegen.
Bovendien bleek ik voor hun afkeer van kuddegeest alsook voor hun opvoedkundig adagium ‘Doe nou maar gek;  gewone mensen zijn er al genoeg’ uitzonderlijk vatbaar, waardoor vrijwel alles wat in positieve zin afweek van ‘doorsnee’ of ‘middelmaat’ als van nature mijn norm werd.
En wie eenmaal zover heen is wordt door nog maar weinig met schaamte vervuld. Zoveel moge duidelijk zijn.

Dit alles laat echter onverlet dat mijn vader mij tijdens mijn puberjaren met één ding wel dégelijk bij herhaling gevoelens van ongemak wist te bezorgen, en dat had alles te maken met zijn zaterdagmiddagritueel.

Verder lezen

In Memoriam: mijn schooljuf

Ik was al wat aan de late kant, toen ik vanmorgen de NS-fietsenstalling binnen zoefde, dus reeds van afstand had ik middels driftig belgerinkel getracht de dienstdoend toezichthouder tot enige spoed te manen.

Zonder resultaat.

Trappelend van ongeduld moest ik gadeslaan hoe deze zich tergend langzaam van zijn met rafelig nepfluweel beklede bureaukruk verhief, twee onvaste passen zijwaarts deed, het deels glazen hokje waarin hij zich met zijn thermoskannetje leut plus kruiswoordraadsel had verschanst ontsloot, mij met afgemeten hoofdknik begroette en vervolgens met lodderige blik en doorrookte stem de Vraag der Vragen stelde: ‘Fietsje stallen?’

Die had ik even niet aan zien komen.
Natuurlijk had één enkele, vernietigende blik mijnerzijds volstaan om de brave borst zijn grenzenloze onnozelheid te doen inzien, maar ik achtte de kans dat ik terstond zou stikken in de stomheid waarmee hij mij met zijn onovertroffen imbeciliteit geslagen had té groot om van die mogelijkheid liever wijselijk af te zien.

‘Nee’, repliceerde ik in plaats daarvan subiet, ‘doe maar liever een Big Mac, twee kaartjes voor de opera en een fijn glas Witbier, liefst zonder citroen, en alleen wanneer het écht niet teveel gevraagd is ook graag een boterhamzakje met ijsklontjes alsmede een Stanleymes en een bandenwippertje want de wérkelijke reden van mijn aanwezigheid alhier is dat ik dolgaarne m’n nier zou doneren.’

En zo kaatste ik het door verbijstering ingegeven stilzwijgen vakkundig retour richting degene die daarvan, mijns inziens, zijn core-business zou moeten maken.

(U gelooft het waarschijnlijk niet maar soms sta ik er zélf van te kijken, zo makkelijk als het me afgaat om nieuwe vriendschappen te sluiten)

Verder lezen

Naarden: ‘here I come!’

Ben er sinds kort bijkans weer 24/7 mee bezig.

Om u een bescheiden idee te geven:

Des morgens in alle vroegte begint het al, wanneer om 6:38 uur het wekkertje gaat: ik leg de kleine tiran het zwijgen op, staar enkele minuten in het duister om vervolgens mijn vriendin liefdevol in haar zij te porren en doe haar definitief ontwaken door zachtjes ‘Ich will hier bei dir stehen, verachte mich doch nicht’ in haar oor te neuriën.

Ondanks deze intentieverklaring verlaat ik echter vrijwel direct daarop de sponde, en uiteraard veracht Vriendin mij wel degelijk.

Zij weet dan namelijk al lang en exact hoe laat het is, begraaft haar hoofd onder het kussen en doet een vermetele doch vergeefse poging om -al was het maar kort- de slaap nog te vatten.

Om weer bij haar in de gunst te komen zet ik vast koffie, pers voor ons beiden een citrusvrucht en niet lang daarna, als ik me sta te scheren en zij met onverholen chagrijn achter mij het badkamertje binnen komt stiefelen begroet ik haar met een deemoedig en berouwvol ‘Ich bins, ich sollte büssen, an Händen und an Füssen, gebunden in der Höll.’

(Maar als ik soms dacht dat ze daar om lachen kon, nou, dan heb ik het dus mooi mis)

Terwijl ze zich met koffie en jus richting ontbijttafel beweegt daver ik als een tornado door de kamer; pak m’n tas, strik m’n strop, geef vriendin ten afscheid een klapzoen alsook een liefkozende tik tegen d’r bil, en zing haar daarbij uitbundig toe: ‘Ach, konnte meine Liebe dir, mein Heil, dein Zittern und dein Zagen, vermindern oder helfen tragen; wie gerne blieb ich hier!’

(Maar -ha!- dat kan natuurlijk helemaal niet want dan mis ik m’n trein!)

Verder lezen

Tinteling van weleer

‘Dansers, ook oud-dansers, bezitten het vermogen hun fysieke geheugen aan te spreken zelfs zonder een pas te zetten. In hun spieren is als het ware de herinnering opgeslagen aan het repertoire dat ze hebben opgebouwd. Dit verfijnd ontwikkelde neurologisch fenomeen, proprioceptie, spreekt zeer tot de verbeelding van de buitenstaander, maar zijzelf weten niet anders. Nureyevs danspartners van weleer dragen dus zijn erfenis met zich mee. Die schat openbaar maken, zou de ideale biografie van Nureyev opleveren. Over zijn danskunst. ‘Nureyev. The Art.’ Of gaat het daar niet om?’

Bovenstaand citaat is afkomstig uit een recensie die vrijdag j.l. in de boekenbijlage van de NRC verscheen, en waarin de biografie ‘Nureyev. The Life’ van de hand van Julie Kavanagh besproken werd.

Aangezien ik mij op dit weblog het afgelopen jaar meer dan eens als een newborn ballet-addict heb doen kennen, zal het u waarschijnlijk niet verbazen dat ik al enige tijd reikhalzend uitzag naar deze zoveelste (maar wat kan dát de ware liefhebber schelen?) levensbeschrijving van de Grootschte balletdanser van de vorige eeuw, dus ondanks het feit dat deze biografie niet louter op jubeltoon door de recensente werd onthaald zal ik onverwijld overgaan tot de aanschaf ervan.

Maar dat doet er nu even niet toe.
Waar het mij nu even om gaat is dat ene, wonderlijke begrip dat de critica in haar bespreking zo terloops bezigde:

Verder lezen