“Hmm…(gaap)… wat doe je?”
“Ik ga even water pakken.”
“Oh. Ik stond net in de bibliotheek naast Johan Cruijff.”
“Je stond net in de bibliotheek naast Johan Cruijff?”
“Ik zei: ‘Dag meneer Cruijff’ en toen lachte ie naar me.”
“Tjee.”
“Ja.”
“Had ie ook boeken geleend?”
“Ja, wat literaire werken, een paar boeken over voetbal (alsof ie die nodig zou hebben!) en het kookboek: ’Eieren zo groot als kastelen bakken’.”
“…?!”
“Zzzzz…”
Auteursarchief: Nina
Geheel in de geest van George
Zondag waren we op die fijne plek. En luisterden naar een paar van Nederlands beste muzikanten die een paar van de beste nummers ooit geschreven ten gehore brachten. Het was een onbeschrijfelijk fijne middag, zo een die zich dus nooit in woorden laat vangen.
Behalve dan dat ik er heel gelukkig van werd. Dat ze Savoy Truffle speelden en I’d have you anytime en What is Life en All things must pass en Bangladesh en natuurlijk My Sweet Lord en… en… en dat ik, in dat intieme zaaltje met de roodfluwelen gordijnen langs de wanden, opeens alleen nog maar uit muziek bestond. M’n hele ego was verdwenen!
Een jaar lang eenmalig fan
Gisterenavond zat ik op de bank te denken over de zin van het leven enzo, toen er op mijn kamerdeur werd geklopt. Het was de bovenbuurvrouw die mij haar telefoon gaf: “Het is iemand van de NCRV en hij belt op mijn telefoon maar hij vraagt speciaal naar jou.”
In een fractie van een seconde schoten verschillende scenario’s door mijn hoofd. Hadden ze mijn CV toevallig ergens daar liggen? Waren ze op zoek naar de nieuwe Mieke van der Wey? Of naar een frisse presentatrice voor een eigentijdse variant van Weg van de Snelweg? Misschien zochten ze leuke gewone mensen voor een nieuw programma over leuke gewone mensen.
Vol verwachting maar naar ik hoopte met de nodige cool in mijn stem, zei ik: “Dag, met Nina van Zoomeren”, ervan uitgaand dat mijn naam al menig belletje deed rinkelen daar bij de NCRV in Hilversum. “Dag mevrouw Van Zoomeren”, klonk het -ik had toen reeds kunnen weten dat het mis was. “Kent u Man Bijt Hond?” Ja, natuurlijk! Verslaggever bij Man Bijt Hond, had ik dat inderdaad niet ooit geambieerd? En als ze hier met camera en al wilden aanschuiven voor de avondmaaltijd, ook nog een optie, nou, dan waren ze van harte welkom. “Zeker”, antwoordde ik, enthousiast maar niet te gretig.
Er viel een korte stilte.
Brandend van nieuwsgierigheid wachtte ik af. “En Praatjesmakers? Kent u dat?”, vervolgde de jongeman het gesprek. Verbouwereerd antwoordde ik: “Nee”. Toen: “Ja.” En: “Liever niet.” De jongeman lachte. “Oké. En Hello Goodbye. Kent u dat?” Wat moest ik zeggen? “Heb ik wel eens gezien”, mompelde ik.
“Sorry, ik versta u niet goed.”
“Ja eh, heb ik wel eens een enkele keer gezien. Bij de kapper.”
“Oké. En Villa Felderhof. Kent u dat?”
“Ja, ken ik”, zei ik lijdzaam, mij voegend in mijn -zoveel was me inmiddels wel duidelijk- weinig glorieuze rol. “Mooi. En als u nu uit deze programma’s een programma mocht kiezen, welke zou u dan kiezen?”
Mijn verzet was gebroken.
“Man Bijt Hond.”
“Oké. Man Bijt Hond dus.”
“Ja”, stamelde ik en met een genadeloos gevoel voor zelfkastijding voegde ik daar nog aan toe: “Dat vind ik dan nog wel een leuk positief programma voor de mensen. Over leuke gewone mensen enzo.”
“Goed. Want weet u, de NCRV zoekt namelijk om haar zendtijd niet gehalveerd te zien worden fans voor haar programma’s. Voor 15 euro kunt u eenmalig een jaar lang fan worden van Man Bijt Hond, zodat uw lievelingsprogramma gegarandeerd op de buis blijft.”
Behalve met een levendige fantasie ben ik ook gezegend met de ruggengraat van een weekdier. Ik ben nu dus een jaar lang eenmalig fan van Man Bijt Hond. Over een paar dagen ligt er een Man Bijt Hond-presentje, speciaal geadresseerd aan Nina van Zoomeren, in mijn brievenbus. Ik kan haast niet wachten.
‘Zie je wat aan me?’
“Je haar! Je haar is anders.”
“Dat was de vorige keer dat je me zag ook al zo.”
“Andere kleur dan?”
“Nee. Kijk nog eens goed.”
“Een pony, die had je eerst niet, toch?”
“Wel.”
“Oh.”
“Ja.”
“Wacht. Is er iets met je jukbeenderen? Die steken verder uit. Kan dat?”
“Ik weet niet of dat kan.”
“Dat je afgevallen bent ofzo, een smaller gezicht hebt.”
“Volgens mij niet hoor. Dat bedoel ik in ieder geval niet.”
“Je bent een beetje bruin, is dat het? Ben je onder de zonnenbank geweest?”
“Nee.”
“Oorbellen, je hebt nieuwe oorbellen.”
“Nee.”
“Nu zie ik het! Ja! Je hebt je wenkbrauwen geëpileerd!”
“Nee.”
“Iets met je neus, je neusgaten zijn kleiner.”
“Nee.”
“Je bril! Je hebt je bril niet op!”
“Ik heb geen bril.”
“O ja.”
“Kijk nu nog eens goed!”
“Wat zit je nou raar te lachen?”
“Kíjk dan!”
“Je tanden, je hebt je tanden laten bleken!”
“Néé!”
Hij is-t-er uit!
‘In deze man verliest ze een liefde’
Het is een artikel uit de NRC, geschreven door Pieter Steinz. In de serie ‘Zwanenzangen’, over het laatste opvallende nummer van popmusici die voortijdig en op het hoogtepunt van hun roem overleden. Het verscheen op de dag dat Jacques Brel 18 jaar dood was: 9 oktober 1996.
Vandaag 12 jaar geleden dus.
Dit is het enige ingelijste artikel, van al die krantenknipsels en stukjes die ik destijds de moeite waard vond om in te lijsten en op te hangen, dat niet ergens in een doos ligt te verstoffen. Bij de laatste verschuiving (zoiets als een verhuizing maar dan anders) in mijn leven kwam ik het artikel -met een prachtige foto van Brel, even schalks als gekweld en met een sigaret in zijn mondhoek geklemd- weer tegen en ik besloot het niet terug te stoppen in de doos waar het uit tevoorschijn kwam.
Sindsdien staat de lijst een beetje doelloos en onbeholpen in mijn boekenkast. Ik twijfel. Kan ik een artikel dat ik in 1996 uitknipte en inlijstte nu nog steeds ophangen, nu de grond onder mijn voeten na talloze aardverschuivingen er zo anders uitziet? Ik weet het antwoord wel. Brel was er al vóór alles en hij is altijd gebleven en hij gaat nooit weg.
‘Het is het droevigste afscheidslied dat ik ken. In de vertrekhal van een groot vliegveld, vlak voor een point of no return, staan een man en een vrouw tegenover elkaar. (…) Niemand die luistert naar het chanson ‘Orly’ zal eraan twijfelen: dit is geen afscheid voor een maand, voor een jaar, dit is een afscheid voor het leven. (…) Brels ‘Orly’ is geen romantiek met een monter accent, zoals die andere beroemde afscheid-op-het-vliegveldscène, in Casablanca. Het is een langzame danse macabre die duidelijk maakt dat weggaan soms hetzelfde als sterven is. Als er iets pijn doet, lijkt de doodzieke Brel te willen zeggen, dan is ‘t het snijden – veel meer dan het afgesneden zijn.’
Fragmenten uit het NRC-artikel ‘In deze man verliest ze een liefde’, door Pieter Steinz, verschenen op 9 oktober 1996.
Sinterklaas zit in de lucht
“Er wordt zoveel gekletst hier.”
“Ongelofelijk veel. En jullie zijn nu eenmaal voer voor speculaties.”
“Ja.”
“Je weet hoe dat gaat.”
“Voer voor speculaasjes.”
“Inderdaad.”
Het is niet alleen de herfst die mij aan het huilen maakt
Op de radio een (mannelijke) presentator aan een vrouw die een therapieprogramma voor verkrachte meisjes heeft ontwikkeld horen vragen: “Maar eh… het kán natuurlijk niet, maar eh… die meisjes voelen zich vies, terwijl je zou het toch ook… ik bedoel, het heeft toch ook met begeerte te maken. Waarom hoor je zo vaak dat meisjes zich vies voelen daarna?”
Weten dat er een wanhopig mens op de Waalbrug zit en kennisnemen van de reacties van andere mensen: ”Hop, onder stroom zetten die brug!” “Er zijn tóch al genoeg buitenlanders, we kunnen er wel eentje missen.” ”Ik heb zóóó lang in de file gestaan, waarom springt die vent niet gewoon?”
Geef ons water
Het Nationaal Ouderenfonds is een campagne begonnen om eenzaamheid onder ouderen te bestrijden. Op de campagnesite is het volgende te lezen: Geef kleur aan het leven van eenzame ouderen! Gezelschap en aandacht zijn voor veel ouderen als water voor planten; ze hebben het nodig en fleuren er helemaal van op.
Nu heb ik helemaal niks tegen een campagne die mensen oproept om naar hun oudere medemens om te kijken. Want ik hou van oude mensen; eens in de twee weken praat ik met een groep ouderen, over -inderdaad ja- eenzaamheid, afhankelijkheid, verlies, familie, geluk, religie, hun jeugd… Met tranen in mijn ogen stapte ik op de fiets, na de eerste sessie met ‘mijn’ groep. Tranen van een vreemd soort geluk, van geraakt zijn in je diepste wezen. Ouderen zijn niet per se leuk, lief en aardig maar vaak wel ontzettend zichzelf.
Dus ja. Ik hou van oude mensen; ze gaan me aan het hart. In principe vind ik de campagne (en het Ouderenfonds) een goed initiatief, maar over de manier waarop had voor mij een seconde langer nagedacht mogen worden.
Niet dat het vergelijken van ouderen met planten mij te ver gaat. Neuh. Of… nou ja. Misschien gaat het toch net een íetsiepietsie te ver. De ouderen die ik ken, zijn namelijk heel anders dan de planten in mijn omgeving: zo praten ze terug en maken ze grapjes of lachen ze om grapjes die jij maakt. Ook knijpen ze vaak even in je hand als je afscheid van ze neemt.
Nee, het is omdat de campagne suggereert dat een oudere een apart soort mens is. Namelijk een mens die -rara, hoe kán het toch?- opfleurt van aandacht en gezelschap. En daar maak ik bezwaar tegen. Ik durf namelijk te beweren dat ouderen gewone mensen zijn, en dat álle mensen aandacht en gezelschap nodig hebben. Zonder water -en iemand die ons dat water geeft- wordt het immers niks in dit leven.
Ik lijk op Astrid Joosten en een erwt
“Weet je?”
“Hm?”
“Ik lijk op Astrid Joosten met dat nieuwe haar!”
“Ja-aa… Nu je het zegt. Met dat leren jasje ook. Ik zie wat je bedoelt.”
“Astrid Jóósten!”
“Is daar iets mis mee?”
“Is daar iets mis mee, is daar iets mis mee…”
“Zo erg is dat toch niet? Iedereen vond Astrid Joosten leuk.”
“Ja, in negentienvierentáchtig. ”
“Tja…”
“Ik had het zelf nooit moeten zeggen hè, dat ik nu op Astrid Joosten lijk.”
“Je had het nooit moeten zeggen.”
“Brrr. Koud is het.”
“Nee joh.”
“Wel, voel m’n voeten maar.”
“Die zijn toch niet koud?”
“Nou! Ik vind van wel.”
“Hoe moet dat straks, als het écht koud is?”
“Als het nóg kouder is, bedoel je?”
“Vooruit, als het nóg kouder is.”
“Een dikke pyjama, sokken en drie dekbedden.”
“Drie dekbe…?!”
“En soms ook nog een muts.”
“Een muts?”
“Ja.”
“En dríe dekbedden?”
“Ja, zoiets als de prinses op de erwt en dat ik dan de erwt ben.”
“…”
Mijn eerste schreden op het hospitapad
Uitgaande mail, dinsdagmiddag, 16.35 uur:
Hee! Ze hebben een filosoof voor me! Uit Duitsland, hij heet Friedrich en studeert af op Foucault.
Inkomende mail, dinsdagmiddag, 17.05 uur:
Grab him!
Telefoongesprek, dinsdagavond, 21.10 uur:
“Hello. Is this Friedrich? It’s about the room.”
“Yes, hello? Hello? Wait, I’ll walk to the other room because there is too much noise here.”
… (dronkenmansgelal op de achtergrond)…
… (gestommel)…
“This is better. So you have a room?”
“Yes, but I’m not sure if all your friends can come and live here as well.”
“Oh no. I wouldn’t want them to.”
“Okay. Do you want to come over tomorrow evening to see the room?”
“Yes, that would be great.”
“Eight o’clock?”
“That’s fine.”
“Okay, see you tomorrow at eight.”
“Yes. Bye.”
“Bye.”
Inkomende mail, woensdagochtend 05.36 uur:
Hi Nina,
See you tomorrow around 20h. Should I just knock on the frontdoor?
Friedrich
Uitgaande mail, woensdagochtend 11.25 uur:
Hello Friedrich,
We have a doorbell.
Nina
Wordt ongetwijfeld vervolgd…
Het leek zo’n gewone werkdag
Ik: “Dus in 1995 besloot het ministerie van VWS om prtt… krggtuchecuhuche…”
Intensive care-arts: “Gaat het?”
Ik: “Kgguchuche… heb een… kuchggg… sorry kriebel… prttuch… nou zeg…”
Intensive care-arts: “Ik kan je hier ter plekke intuberen.”
Ik, piepend: “Doet u eerst maar een glaasje water.”
(Herh.)
Vanmiddag leiden alle wegen naar het Zuiden. Nee, er zal niet veel veranderd zijn daar. Waar de vrouwen een jasschort dragen, Jezus immer aan het kruis hangt, de enige eetgelegenheid Au Pied de Cochon heet en waar de mannen zich op zondagmiddag verzamelen in het café om steeds uitgelatener te worden door het bier en het tijdelijk afwerpen van het echtelijk juk – o zaligheid.
Wij zijn dus even weg. Salut!
Het einde van de tussentijd
Het was halverwege de jaren negentig. Kurt Cobain schoot zich dat voorjaar door zijn hoofd en ik belde mijn vriendje van de middelbare school om het erover te hebben – onze verkering was immers begonnen op de dag dat hij ‘Polly’ voor me speelde op zijn gitaar – maar we wisten niet veel tegen elkaar te zeggen. Ik was één kilo aangekomen en woog nu negenenveertig kilo. Mijn ouders leken zich minder zorgen om me te maken; in ieder geval maakte ik me minder zorgen om hen.
Ik leidde nu mijn eigen leven, vanaf de dag dat ik het provinciestadje waar ik was opgegroeid had verruild voor Amsterdam. Al snel had ik een trage routine ontwikkeld; die acht uur hoorcollege in de week vergden weinig inspanning. Ik genoot ervan om een paar haltes eerder uit de tram te stappen en over het Waterlooplein naar de Oudemanhuispoort te slenteren. Eenmaal in de collegezaal werd ik vooral in beslag genomen door het observeren van mijn medestudenten. Zo was er de punker die altijd twee verschillend gekleurde schoenen droeg en als mensen hem daarop aanspraken triomfantelijk riposteerde: “Jij draagt anders ook twee verschillende schoenen. Heb je daar wel eens over nagedacht?” En de mooie jongen met het zwarte haar die eigenlijk liever automonteur wilde worden dan filosoof, het labiele meisje dat een relatie had met een bekend acteur, de graatmagere vrouw die steevast gewapend met een kussentje de collegezaal betrad, het lelijke meisje dat drie klassen overgeslagen had en alles beter wist. Met sommige van hen raakte ik min of meer bevriend, het soort toevallige vriendschap dat even onopgemerkt begint als weer verdwijnt.
Als ik geen college had, wandelde ik vaak tegen het middaguur langs de Ringvaart naar de lunchroom van Kwekkeboom. Daar bestelde ik een koffie verkeerd, die altijd werd geserveerd met een vierkantje smeuïge boterkoek, waar ik me bij het wakker worden al op kon verheugen. Na de koffie rookte ik een sigaret en keek uit het raam naar de mensen die voorbijkwamen. De meesten spoedden zich voort maar er waren ook mensen bij zoals ik, mensen die geen enkele haast leken te hebben. Ik bevond me in de tussentijd en dat beviel me wel.
So everything is fine, fine
I’m not in this world
To live up to your expectations
Neither are you here to live up to mine
I don’t owe no one
No obligation
No I don’t mean none
So everything is fine, fine
I said I am that I am
I am I am I am
Na de begrafenis
kocht ik couscous, kikkererwten en koriander bij Buurman Cent, at een softijsje in het hart van misschien wel het lelijkste centrum van Nederland, kookte voor mijn ouders terwijl Antony zong, reed in plaats van naar Katwijk per ongeluk naar de Wassenaarse Slag, zwom in zee, bietste een sigaret, tuurde met toegeknepen ogen in de zon, zuchtte eens diep, aanvaardde de terugtocht, neuriede de hele reis ‘Welk een vriend is onze Jezus’, nam een slok rode wijn en vleide mij verdrietig maar voldaan tegen een sterke schouder.
‘s Nachts droomde ik dat ik naast opa in de auto zat. Hij zat achter het stuur. We lachten naar elkaar. Ik maakte nog een foto van hem. Bij een bushalte stapte ik uit; mijn opa reed door. Naar Noorwegen, naar de Hardangervidda, waar mijn oma op hem wacht.