Hartje m’n hartje

Mijn hart klapperde als een vlieger in de wind. Ik was niet echt bang -het lukte me zelfs om er doorheen te slapen- maar prettig was het niet om dat hart voortdurend als een onrustig vogeltje in mijn keel en borst te voelen fladderen.
Na bijna twee dagen belde ik de huisarts en kon meteen terecht.
Hij luisterde, voelde en nam mijn bloeddruk op.
“Alles is prima in orde. Niks om je zorgen over te maken”, zei hij vriendelijk.
“Dat dacht ik ook wel”, antwoordde ik, “dat het niets ernstigs was. Van een hartkloppinkje meer of minder schrik ik al lang niet meer. Maar dit werd me toch een beetje te gortig.”
We keken elkaar aan, mijn huisarts en ik.
Hij kent me nu al een tijdje, hij kent mijn ‘dossier’. Hij weet meer dan menig ander en dat vind ik niet erg. Het is een fijne huisarts. Daarom durfde ik me uit te spreken: “Soms ben ik bang dat mijn hart gewoon moe en oud is, door alle spanning die het heeft moeten doorstaan.”
Mijn huisarts stelde mij gerust. Fysiologisch gezien kón dat niet, legde hij uit. ”Maar ik kan me best voorstellen dat jij het af en toe zo ervaart.”
Eenmaal thuis -mijn hart leek zijn normale ritme weer te hebben aangenomen- moest ik huilen. Niet van verdriet maar van opluchting en begrip. Soms is mijn hart gewoon even oud en moe, vooral als ik er een tijdje te weinig naar geluisterd heb. Dan laat het van zich horen. Het rammelt aan de poort. Vergeet niet wie je was, wie je bent, wie je wilt worden! Laat je niet afleiden. Het leven is te kort om niet te doen wat je eigenlijk diep in je hart wilt.

Muziek muziek muzíek

In de Fnac in Perpignan kochten we de cd ’Hobo’ van Charlie Winston. Wachtend in de rij voor de kassa viel mijn oog op een andere cd waarvan de voorkant me meteen intrigeerde. Misschien omdat de vrouw me aan Janis Joplin deed denken en het beeld ook een vleugje Harvest van Neil Young in zich droeg. Ik probeerde de naam Lhasa in me op te slaan, om eenmaal terug in Nederland uit te zoeken wat voor muziek er achter dat intrigerende plaatje schuil ging.
Vervolgens vergat ik het weer.
Tot ik besloot on line kaartjes te bestellen voor het concert van Charlie Winston in L’Olympia in Parijs in november. Naast de aankondiging van het concert van Charlie vond ik Lhasa de Sela (zoals ze voluit bleek te heten) terug; ze bleek twee dagen vóór hem op te treden in datzelfde Olympia. Nieuwsgierig klikte ik door. Mijn hart ging sneller kloppen; wat een mooie vrouw en wat een mooie stem..!
Zo is het gekomen dat we in oktober naar Lhasa de Sela in Paradiso gaan, een maand later het concert van Charlie Winston bezoeken in Parijs en o ja, als kers op de appelmoes…(tromgeroffel)… gaan we dan in december Rufus Wainwright en familie zien in de Royal Albert Hall in Londen. Als dat geen fijn concertcrescendo is!

Tijdens het googelen en youtuben stuitte ik ook op dit ontroerend-rare clipje met Stuart Staples (ook bekend van de Tindersticks) en Lhasa de Sela: that leaving feeling. Móói!

Drie jaar en vier maanden

“Ik heb ook ogen”, zegt ze, terwijl ze dromerig in de ogen van M. staart.
“Ja”, zeg ik. “Net als M. Vind je de zijne mooi?”
Ze knikt hevig: “Ja-aah!”
“Wat voor kleur zijn zijn ogen?”
“Ehm… zwárt!”
“Ja, de binnenkant is zwart. Maar daaromheen? Wat voor kleur is dat?”
Er valt een korte stilte.
Dan veert ze op.
“Róze!”
Roze is haar Lievelingskleur. Met een hoofdletter.

Later mag ik haar naar bed brengen, met voorlezen en alles erop en eraan. Ik vind dat stiekem heel bijzonder. Ze zit op mijn schoot, duim in haar mond, rozig van de dag, terwijl ik voorlees.
Ze ontdekt mijn oren en zegt: ”Ik wil ook oorbellen. En dan wil ik eentje van Winnie de Pooh en eentje van Knorretje.”

Na het voorlezen klimt ze via een trappetje in bed. Voordat ik zachtjes de deur achter me dicht zal trekken, nemen we de dag nog even door.
“Het was leuk hè vandaag”, zeg ik.
“Ja”, knikt ze. “Maar ik was wel een beetje verlegen.”
“Dat vond ik anders reuze meevallen.”
“Maar ik was toch wel een beetje verlegen.”

Daarna maken we plannen voor de nabije toekomst.
“Kan dat op de fiets?”, vraagt ze.
“Nee, dat is te ver. Je moet met de trein of met de auto komen.”
“Doe maar auto dan, dat is makkelijker”, antwoordt ze, al half in slaap.

Na een laatste ’slaap lekker’ sluit ik zachtjes de deur achter me en sluip de trap af. Eenmaal weer in de huiskamer vraagt M.: “Hoef ik geen afscheid te komen nemen?” Hij kijkt een beetje beteuterd. Ik kan hem geruststellen: “Ze vroeg ‘Waar woont jouw vriendje?’ en ze is vast van plan je op te komen zoeken. Met de auto.”

Boven op de berg

Boven op een berg in Zuid-Frankrijk is alles heel ver weg. De naam Karst T. deed nergens een belletje rinkelen en Ab Osterhaus was niet op de radio. Er was ook geen radio.

Boven op een berg in Zuid-Frankrijk is alles heel ver weg. Vooral als je auto het begeeft. En het dichtstbijzijnde dorp (bestaande uit één bakker en een leegstaand gevang) anderhalf uur lopen verderop ligt.

Ik ga nooit ergens heen zonder mijn auto. Een Suzuki Wagon uit 1997, die ik van mijn opa heb gekregen. Toen mijn opa nog leefde, reed ik er al eens mee naar Barcelona. Onderweg fotografeerde ik de Suzuki; parmantig geparkeerd naast een grote vrachtwagen of koddig gesitueerd onder een palmboom. Ik was niet alleen, ik was met het autootje: samen ‘en route’.

Als ik ver van huis ben, en ik vind Zuid-Frankrijk al best ver, dan zou ik mijn autootje het liefst voor het slapen gaan op het nachtkastje naast me zetten. Zodat ze -het is een zij- dicht bij me is en ik weet dat ik naar huis kan wanneer ik wil. Dat ik weg kan.

Weg kunnen is nu eenmaal een thema in mijn leven. Een illusie, want ik weet heus wel dat er geen ontsnappen aan is. Niet aan mezelf en niet aan dit leven en waar het uiteindelijk onvermijdelijk toe leidt. Toch houdt de illusie van weg kunnen wanneer ik wil me gaande en stelt ze mij, in de vorm van mijn dierbare autootje, in staat nog eens ergens te komen.

Verder lezen

De wraak van het varken (en andere dingen)

Vandaag deed ik alsof ik twitterde. Ik heb er erg veel dorst van gekregen en ook een beetje klamme oksels. Het ging ongeveer zo:

17.01: Of naar de Spar, daar pakt een meneer je boodschappen voor je in op z’n Amerikaans. Hij wil het geen service noemen, zegt ie. Maar in de Spar draaien ze weer niet het betere Nederlandstalige lied. Keuzes schmeuzes.

16.57: Naar Coöp om gezonde zak sla, pardon zak gezonde sla te halen of toch uit eten?

16.48: Lieve O., we gaan gewoon bier drinken hoor! Ik haal de Korenwolf in huis.

16.38: Interview af, ondanks buikpijn, wazig zien, niezen en neptwitteren

16.02: Varkensgriep in Catalonië?!

15.15: Zo’n zin in vakantie in Zuidzuidzuid-Frankrijk, vlakbij Catalonië

14.25: Vriendin R: ‘Ach, anders lopen we het toch gewoon op Lowlands op. Wûh gaaaan naaar… LOWLANDS toe, we gaan naar Lowlands toe, we gaan..’

14.23: krulstaartcheck

14.20: Buikgriep en knorrig…

12.00: Wûh gaaaaan naaaar… LOWLANDS toe, we gaan naar Lowlands toe, we gaan naar Lowlands toe, we gaan naar Lowlands toe (67 x)

11.27: Collega: ‘H1N1 is wel makkelijker te onthouden.’ Ik: ‘Ik onthield het altijd door Sien van Sesamstraat in mijn hoofd te laten zeggen: Haaaa vijf en één!’

11.15: Verbrand worstenbroodje zorgt voor grote opschudding hier ten kantore.

8.20: Gisteren in kloosterwinkel in Steyl gekochte varkentjes op keukenplank gezet om me te herinneren aan keuze geen varkensvlees meer te eten.

Zoek zoek zoek

Google-zoektermen waarmee mensen níet op nozzel.nl terecht kwamen:

Anale fase dunnetjes overdoen
EO kinderkrant komt het ooit nog terug
Fanclub rijdende rechter mr. Frank Visser
Dood en dan?
Kinetisch je kamer opruimen
Altijd hetzelfde en er gek van worden
Mannen met opgestroopte mouwen betekent het iets?
Schimmelluchtje uit oude kip krijgen
Homokineet onder de auto
Snor door de eeuwen heen
Niet willen dat iets ophoudt
Unas pagèras papoeras papieras?

LinkedIn of LeftOut?

Collega’s, oud-collega’s, mensen met wie ik ooit prettig samenwerkte, creatieve geesten die door de jaren heen op mijn pad kwamen, vrienden van nu, vrienden van vroeger, oud-studiegenoten, mensen aan wie ik nog wel eens denk en van wie ik me afvraag hoe het met ze gaat… Ik ben ze allemaal aan het verzamelen op mijn LinkedIn-pagina.

Het geeft me een onverwacht lekker gevoel om al die mensen in mijn digitale netwerkje samengebracht te zien. Mensen die ik bewonder, aardig vond en vind, die me geïnspireerd hebben, met wie ik gelachen heb en van wie ik geleerd heb: ik heb ze teruggevonden en dat maakt me blij. Meer dan een beetje passief in elkaars web zweven verlang ik eigenlijk niet.

Hoera voor het feit dat er geen sprake is van voor iedereen leesbare ’krabbels’ of van de verplichting om tot het einde der dagen sociale dingetjes met elkaar uit te wisselen!

Verder lezen

Schimmige dialoog

“Weltrusten.”
“Hè, nee. Laten we nog niet gaan slapen! Laten we een spelletje doen.”
“Ik weet niet hoor…”
“Ik zie ik zie wat jij niet ziet!”
“Ik zie ik zie wat jij niet ziet?”
“Ja. En het is… gróen.”
“Maar het is donker!”
“Oké. Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is… lichtgrijs!”
“Dat krantenartikel aan de muur?”
“Nee.”
“De lamp?”
“Nee.”
“Die tas?”
“Nee!”
“Dat ándere krantenartikel?”
“Nee. Ik kan je een hint geven: je kijkt de verkeerde kant op…”
“Oh. Hmm. Ah! Is het je nieuwe jas die daar aan de kast hangt?”
“Ja! Goed zeg. Nu jij.”
“Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is… lief.”
“Boris de Beer?”
“Nee.”
“Udo de Eland?”
“Nee.”
“De aapjes bovenin?”
“Nee.”
“Nijntje?”
“Nee.”
“Jeetje. Die zijn toch allemaal lief.”
“Tja… denk eens goed na.”
“Ik weet niet of ik het wel weet. Er is verder niets liefs meer.”
“Ik zei al: ik zie ik zie wat jíj niet ziet…”
“Oh…! Je bedoelt mij.”
“Ja.”
“… wat lief.”
“Ja.”
“Ik vind jou ook lief.”
“Fijn. Zullen we dan nu gaan slapen?”
“Oké. Of zal ik je eerst nog iets vertellen over de ezel?”
“Uh…”
“De ezel is een bijzonder dier met hele zachte lippen.”
“… zzz…”
“Heb je wel eens de lippen van een ezel op je hand gevoeld?”
“… zzz…”
“Dat gevoel van zo’n zachte ezellip over je hand als je ‘m een appel geeft?”
“…zzz…”
“Zal ik je morgen dan meer vertellen over de ezel?”
“…zzz…”
“Weltrusten lief.”

Herinnering

In de tussentijd paste ik op Lena, die toen 6 was en Sam, toen 3. Ik haalde elke middag Lena uit school, waarna we samen naar het kinderdagverblijf aan de andere kant van de Middenweg fietsten. Daar wachtte Sam geduldig op ons, als altijd met zijn handjes diep weggestoken in zijn broekzakken. Het waren bijzondere kinderen, Lena blond en energiek, Sam donker en serieus.

Hun ouders waren vriendelijk, maar enigszins afstandelijk. Ik leerde hen vooral kennen door hun huis, waar het fijn-rommelig was. Overal slingerden boeken, kranten en tijdschriften rond die ik naar believen mocht lezen. Op het aanrecht stond altijd een grote gietijzeren pan klaar voor het avondeten waar ik het deksel graag van oplichtte om de geur van lamsstoof met aubergines of kip met abrikozen op te snuiven. Ik denk dat ik toen couscous heb leren eten. En sindsdien heb gedroomd van een grote pan met goed eten op het fornuis en een fijn-rommelig thuis.

Maar ik dwaal af.

Ook in hun muziekcollectie mocht ik vrijelijk grasduinen en daarin ontdekte ik niet alleen Billie Holiday maar ook La Pat‘s ‘La gabbia d’oro’. Zulke muziek, zo’n stem, mannelijk en vrouwelijk tegelijk… ik kende het niet en vond het wondermooi. Het werd de soundtrack van mijn tussentijd, waarin verlangen en werkelijkheid elkaar soms dicht leken te naderen. Toen alles in één dag anders werd, kon ik er niet meer naar luisteren omdat het te veel pijn deed. Het verlangen stond op de waakvlam, de werkelijkheid daarentegen was feller dan ooit.

Een paar weken geleden, tijdens een grote schoonmaak, kwam ik de cd ’La gabbia d’oro’ weer tegen. Ik zette hem op en de jaren vielen weg. Jaren waarin ik het spoor af en toe bijster was maar ook jaren waarin ik stapje voor stapje de weg terug vond.

Ik googelde op La Pat en leerde dat ook zij de afgelopen jaren er soms wel en soms niet was. En dat ze er nu weer is, met gedichten van Rainer Maria Rilke. In april treedt La Pat op in een theater vlakbij. De kaartjes zijn al in huis, net zoals haar nieuwe cd ‘Erinnerung’, waarop ze misschien wel meer zichzelf is dan ooit. Wondermooi.

La Pat: ‘Ich suche deine Sterne

IJ(de)le beelden

Toen ik vanmiddag uit m’n werk strompelde -toch nog niet hersteld van een gemeen griepje- meende ik Harry Mulisch te zien achter het stuur van een rode Suzuki Alto die voor het stoplicht stond te wachten. Dat het Harry was, wist ik vrij zeker want ik zag hem en profil. Ik knipperde met mijn ogen. Ontwaarde ik daar niet ook een zelfvoldaan lachje? En een pijp?
Dat ik koorts had, en hóge, was nu wel duidelijk.
Eenmaal in de auto hoorde ik op Radio 1 dat het drinken van oploskoffie waanbeelden veroorzaakt. Ik liet het nieuws rustig op me inwerken. Het verklaarde veel. Oploskoffie én griep? Een combinatie die leidt tot überwaanbeelden, waanbeelden die zichzelf heel wat vinden! Ook al rijden ze rond in een rode Suzuki Alto uit 1988.

Het meisje van de bakker

Mijn broodjes en dagelijkse blikje cola light (bij gebrek aan een instant zieleclown wil dat me nog wel eens op de been houden) haal ik bij de bakker tegenover mijn werk. Tot voor kort stond er bij die bakker een hork (ik herhaal: hórk!) van een vent achter de toonbank. ’Hallo’ of ‘tot ziens’ -toch begroetingen in de categorie simpele beleefdheidsvormen- behoorden niet tot zijn repertoire. Hij keek me ook nooit rechtstreeks aan, hooguit wierp hij schuins een gluiperige blik op me. Onnodig lang wachten, verkeerde bestellingen, te weinig wisselgeld… Als ik weer eens op mijn werk kwam, met hangende schouders en een pistoletje tonijn- in plaats van de door mij bestelde krabsalade, riep ik standaard tegen mijn collega’s: “Hij háát mij!”
Het was een tamelijk uitzichtsloze situatie. De man van de bakker zou nooit veranderen en ik zou nooit zonder mijn dagelijkse blikje cola light kunnen. De hork en ik, wij waren tot elkaar veroordeeld.
Tot, op een mooie dag, er een stoer meisje zich bij hem had gevoegd achter de toonbank. Rood haar, guitig hoofd en een piercing. Eerst was ze een beetje stug maar al snel werd ze vriendelijker. Sindsdien was het minder erg om naar de bakker te moeten en op een gegeven moment verdween de hork en was alleen zij er nog. Rond kerst droeg ze een kerstmuts, iets waar ze gek genoeg heel goed mee weg kwam.
Vandaag was ik er weer. ’Ik ga haar een gelukkig nieuwjaar wensen’, dacht ik bij mezelf en toen ik aan de beurt was, zeiden we tegelijkertijd: “De beste wensen.” Ze overhandigde me nog voordat ik erom kon vragen een blikje cola light en zei: “Zo, dus je hebt het ook weer allemaal overleefd?” Waarna ik iets mompelde van ‘ja, en nu weer werken ‘t is niet anders’ enzo omdat ik verlegen word van praten met mensen die ik niet ken en toch leuk vind. Daarna kwam ik stralend terug op mijn werk en riep: “Ik ben verliefd op het meisje van de bakker!” Een uiting die wel weer voer voor speculaasjes zal geven, maar ach.

Goed nieuws op kleine schaal

Bij de coöp-om-de-hoek verkopen ze sinds twee weken Lotus’ speculoospasta, een lezer uit Teteringen stuurde een ingezonden brief naar Trouw om Noraly Beyer te bedanken voor haar jarenlange bijdrage aan het Journaal met ’kraakheldere stem en mooi geluidstimbre’, mijn rode verjaardagsjurkje was een succes, het aantrekken van mijn verjaardagsjurkje betekende dat ik mijn Jezusjaar heb overleefd, Beatrijs gaat gewoon dóór in 2009, ik kreeg van zowel mijn huidige als van mijn vorige vriendje een fijn boek voor mijn verjaardag -waarvan de schrijver van het ene boek de achterflaptekst van het andere boek schreef (een mooi toeval waaruit ik opmaak dat alles goed is zoals het is)-, de afgelopen weken zagen we heel veel leuke en lieve mensen en sinds het me een maand geleden per geluk ontglipte, zeg ik ‘we’. 

Zou het dan echt?

Sam Cooke – A change is gonna come