Boven op een berg in Zuid-Frankrijk is alles heel ver weg. De naam Karst T. deed nergens een belletje rinkelen en Ab Osterhaus was niet op de radio. Er was ook geen radio.
Boven op een berg in Zuid-Frankrijk is alles heel ver weg. Vooral als je auto het begeeft. En het dichtstbijzijnde dorp (bestaande uit één bakker en een leegstaand gevang) anderhalf uur lopen verderop ligt.
Ik ga nooit ergens heen zonder mijn auto. Een Suzuki Wagon uit 1997, die ik van mijn opa heb gekregen. Toen mijn opa nog leefde, reed ik er al eens mee naar Barcelona. Onderweg fotografeerde ik de Suzuki; parmantig geparkeerd naast een grote vrachtwagen of koddig gesitueerd onder een palmboom. Ik was niet alleen, ik was met het autootje: samen ‘en route’.
Als ik ver van huis ben, en ik vind Zuid-Frankrijk al best ver, dan zou ik mijn autootje het liefst voor het slapen gaan op het nachtkastje naast me zetten. Zodat ze -het is een zij- dicht bij me is en ik weet dat ik naar huis kan wanneer ik wil. Dat ik weg kan.
Weg kunnen is nu eenmaal een thema in mijn leven. Een illusie, want ik weet heus wel dat er geen ontsnappen aan is. Niet aan mezelf en niet aan dit leven en waar het uiteindelijk onvermijdelijk toe leidt. Toch houdt de illusie van weg kunnen wanneer ik wil me gaande en stelt ze mij, in de vorm van mijn dierbare autootje, in staat nog eens ergens te komen.
Zoals in Zuid-Frankrijk, op een idyllische, afgelegen plek in de bergen. Dat het autootje ter hoogte van Clermont Ferrand al wat vreemd begon te ratelen, wisten wij nog effectief te negeren. Maar eenmaal haarspeldbochten nemend in de bergen met een steeds heviger ratelende auto hield onze struisvogelpolitiek geen stand. De garageman die we consulteerden, had het snel gezien. De situatie was zeer ernstig. We konden er geen meter meer mee rijden. Wat hadden we wel niet gedacht? Levensgevaarlijk!
Bedremmeld stonden we een uur later met onze duim omhoog langs de route nationale, hopend op een lift die ons in ieder geval iets dichter in de buurt van ons kleine huis in de bergen zou brengen. Dat de auto in de garage moest blijven was al vervelend genoeg, maar het nieuws dat er een onderdeel opgestuurd moest worden dat wellicht pas over een week kon worden geleverd, was ook niet bepaald opbeurend.
Binnen vijf minuten hadden we een lift naar het dichtstbijzijnde dorp en vanaf daar kostte het twee minuten om een volgende lift te vinden, de berg op.
De opluchting over dit voorspoedig verloop en de vriendelijkheid van de mensen die op ons pad kwamen, deden het stemmetje in mijn hoofd dat nu en dan zei (alsof ik dat zelf niet al had bedacht): “Oké, je zit dus misschien de komende week op een berg in Zuid-Frankrijk zonder auto… IK HERHAAL: je zit misschien een week op een afgelegen berg, 1200 kilometer van huis, zónder auto!” meteen al een beetje verstommen.
Ik haalde diep adem.
Keek om me heen.
Zag bergen. Bloemen. Vogels.
Voelde de zon op mijn huid.
Zijn grote warme hand op de mijne.
En het ongelofelijke gebeurde.
Ik zat drie dagen op een berg in Zuid-Frankrijk.
Zonder auto. En ik was niet bang.
Ik wilde niet weg maar blijven waar ik was.
Daar, in de bergen, samen met hem.
Ontroerend mooi!
prachtig.
De kaartjes die je bestelde voor aan de andere kant van de zee waren het teken vooraf. Geen teken dat de auto kapot zou gaan. Nee, een teken dat je dit kon. En dat je het fijn zou vinden.