“Weltrusten.”
“Hè, nee. Laten we nog niet gaan slapen! Laten we een spelletje doen.”
“Ik weet niet hoor…”
“Ik zie ik zie wat jij niet ziet!”
“Ik zie ik zie wat jij niet ziet?”
“Ja. En het is… gróen.”
“Maar het is donker!”
“Oké. Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is… lichtgrijs!”
“Dat krantenartikel aan de muur?”
“Nee.”
“De lamp?”
“Nee.”
“Die tas?”
“Nee!”
“Dat ándere krantenartikel?”
“Nee. Ik kan je een hint geven: je kijkt de verkeerde kant op…”
“Oh. Hmm. Ah! Is het je nieuwe jas die daar aan de kast hangt?”
“Ja! Goed zeg. Nu jij.”
“Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het is… lief.”
“Boris de Beer?”
“Nee.”
“Udo de Eland?”
“Nee.”
“De aapjes bovenin?”
“Nee.”
“Nijntje?”
“Nee.”
“Jeetje. Die zijn toch allemaal lief.”
“Tja… denk eens goed na.”
“Ik weet niet of ik het wel weet. Er is verder niets liefs meer.”
“Ik zei al: ik zie ik zie wat jíj niet ziet…”
“Oh…! Je bedoelt mij.”
“Ja.”
“… wat lief.”
“Ja.”
“Ik vind jou ook lief.”
“Fijn. Zullen we dan nu gaan slapen?”
“Oké. Of zal ik je eerst nog iets vertellen over de ezel?”
“Uh…”
“De ezel is een bijzonder dier met hele zachte lippen.”
“… zzz…”
“Heb je wel eens de lippen van een ezel op je hand gevoeld?”
“… zzz…”
“Dat gevoel van zo’n zachte ezellip over je hand als je ‘m een appel geeft?”
“…zzz…”
“Zal ik je morgen dan meer vertellen over de ezel?”
“…zzz…”
“Weltrusten lief.”
Maandelijks archief: februari 2009
Herinnering
In de tussentijd paste ik op Lena, die toen 6 was en Sam, toen 3. Ik haalde elke middag Lena uit school, waarna we samen naar het kinderdagverblijf aan de andere kant van de Middenweg fietsten. Daar wachtte Sam geduldig op ons, als altijd met zijn handjes diep weggestoken in zijn broekzakken. Het waren bijzondere kinderen, Lena blond en energiek, Sam donker en serieus.
Hun ouders waren vriendelijk, maar enigszins afstandelijk. Ik leerde hen vooral kennen door hun huis, waar het fijn-rommelig was. Overal slingerden boeken, kranten en tijdschriften rond die ik naar believen mocht lezen. Op het aanrecht stond altijd een grote gietijzeren pan klaar voor het avondeten waar ik het deksel graag van oplichtte om de geur van lamsstoof met aubergines of kip met abrikozen op te snuiven. Ik denk dat ik toen couscous heb leren eten. En sindsdien heb gedroomd van een grote pan met goed eten op het fornuis en een fijn-rommelig thuis.
Maar ik dwaal af.
Ook in hun muziekcollectie mocht ik vrijelijk grasduinen en daarin ontdekte ik niet alleen Billie Holiday maar ook La Pat‘s ‘La gabbia d’oro’. Zulke muziek, zo’n stem, mannelijk en vrouwelijk tegelijk… ik kende het niet en vond het wondermooi. Het werd de soundtrack van mijn tussentijd, waarin verlangen en werkelijkheid elkaar soms dicht leken te naderen. Toen alles in één dag anders werd, kon ik er niet meer naar luisteren omdat het te veel pijn deed. Het verlangen stond op de waakvlam, de werkelijkheid daarentegen was feller dan ooit.
Een paar weken geleden, tijdens een grote schoonmaak, kwam ik de cd ’La gabbia d’oro’ weer tegen. Ik zette hem op en de jaren vielen weg. Jaren waarin ik het spoor af en toe bijster was maar ook jaren waarin ik stapje voor stapje de weg terug vond.
Ik googelde op La Pat en leerde dat ook zij de afgelopen jaren er soms wel en soms niet was. En dat ze er nu weer is, met gedichten van Rainer Maria Rilke. In april treedt La Pat op in een theater vlakbij. De kaartjes zijn al in huis, net zoals haar nieuwe cd ‘Erinnerung’, waarop ze misschien wel meer zichzelf is dan ooit. Wondermooi.
‘Nozzel ziet bezoekersaantal heden verdubbeld!’
(Een gewaarschuwd mens telt immers voor twee)