IJ(de)le beelden

Toen ik vanmiddag uit m’n werk strompelde -toch nog niet hersteld van een gemeen griepje- meende ik Harry Mulisch te zien achter het stuur van een rode Suzuki Alto die voor het stoplicht stond te wachten. Dat het Harry was, wist ik vrij zeker want ik zag hem en profil. Ik knipperde met mijn ogen. Ontwaarde ik daar niet ook een zelfvoldaan lachje? En een pijp?
Dat ik koorts had, en hóge, was nu wel duidelijk.
Eenmaal in de auto hoorde ik op Radio 1 dat het drinken van oploskoffie waanbeelden veroorzaakt. Ik liet het nieuws rustig op me inwerken. Het verklaarde veel. Oploskoffie én griep? Een combinatie die leidt tot überwaanbeelden, waanbeelden die zichzelf heel wat vinden! Ook al rijden ze rond in een rode Suzuki Alto uit 1988.

Het meisje van de bakker

Mijn broodjes en dagelijkse blikje cola light (bij gebrek aan een instant zieleclown wil dat me nog wel eens op de been houden) haal ik bij de bakker tegenover mijn werk. Tot voor kort stond er bij die bakker een hork (ik herhaal: hórk!) van een vent achter de toonbank. ’Hallo’ of ‘tot ziens’ -toch begroetingen in de categorie simpele beleefdheidsvormen- behoorden niet tot zijn repertoire. Hij keek me ook nooit rechtstreeks aan, hooguit wierp hij schuins een gluiperige blik op me. Onnodig lang wachten, verkeerde bestellingen, te weinig wisselgeld… Als ik weer eens op mijn werk kwam, met hangende schouders en een pistoletje tonijn- in plaats van de door mij bestelde krabsalade, riep ik standaard tegen mijn collega’s: “Hij háát mij!”
Het was een tamelijk uitzichtsloze situatie. De man van de bakker zou nooit veranderen en ik zou nooit zonder mijn dagelijkse blikje cola light kunnen. De hork en ik, wij waren tot elkaar veroordeeld.
Tot, op een mooie dag, er een stoer meisje zich bij hem had gevoegd achter de toonbank. Rood haar, guitig hoofd en een piercing. Eerst was ze een beetje stug maar al snel werd ze vriendelijker. Sindsdien was het minder erg om naar de bakker te moeten en op een gegeven moment verdween de hork en was alleen zij er nog. Rond kerst droeg ze een kerstmuts, iets waar ze gek genoeg heel goed mee weg kwam.
Vandaag was ik er weer. ’Ik ga haar een gelukkig nieuwjaar wensen’, dacht ik bij mezelf en toen ik aan de beurt was, zeiden we tegelijkertijd: “De beste wensen.” Ze overhandigde me nog voordat ik erom kon vragen een blikje cola light en zei: “Zo, dus je hebt het ook weer allemaal overleefd?” Waarna ik iets mompelde van ‘ja, en nu weer werken ‘t is niet anders’ enzo omdat ik verlegen word van praten met mensen die ik niet ken en toch leuk vind. Daarna kwam ik stralend terug op mijn werk en riep: “Ik ben verliefd op het meisje van de bakker!” Een uiting die wel weer voer voor speculaasjes zal geven, maar ach.

Goed nieuws op kleine schaal

Bij de coöp-om-de-hoek verkopen ze sinds twee weken Lotus’ speculoospasta, een lezer uit Teteringen stuurde een ingezonden brief naar Trouw om Noraly Beyer te bedanken voor haar jarenlange bijdrage aan het Journaal met ’kraakheldere stem en mooi geluidstimbre’, mijn rode verjaardagsjurkje was een succes, het aantrekken van mijn verjaardagsjurkje betekende dat ik mijn Jezusjaar heb overleefd, Beatrijs gaat gewoon dóór in 2009, ik kreeg van zowel mijn huidige als van mijn vorige vriendje een fijn boek voor mijn verjaardag -waarvan de schrijver van het ene boek de achterflaptekst van het andere boek schreef (een mooi toeval waaruit ik opmaak dat alles goed is zoals het is)-, de afgelopen weken zagen we heel veel leuke en lieve mensen en sinds het me een maand geleden per geluk ontglipte, zeg ik ‘we’.