“Dus de actiepunten die uit deze meeting komen, houden we nog even onder de pet?”
“Ik weet het niet hoor. Je kunt ze nu wel parkeren, maar de top wil harde resultaten zien.”
“Je weet net zo goed als ik dat als we ze nu voorleggen, iedereen alsnog zijn plasje erover heen wil doen. Timing, alles draait hierbij om timing.”
“Oké. Maar kunnen we dan niet alvast wat laaghangend fruit presenteren?”
Jaarlijks archief: 2008
Waargebeurde vrijdagavondtaferelen
19.26, een Albert Heijn in Utrecht uitlopend, komt er een vrouw (trainingsjackje, rok, witte sokken in sandalen) op me af:
“Mevrouw, mevrouw! Heeft u een welpie gekregen?”
“Ja.”
“Mag ik ‘m hebben?”
“Ja, tuurlijk.”
“Wat voor kleur is-t-ie?”
“Volgens mij wit.”
“Oh, dan is ‘t goed.”
“Hier, alsjeblieft.”
“Bedankt hoor mevrouw.”
“Ja, graag gedaan.”
“Hee mevrouw.”
“Ja?”
“Mijn achterneef speelt vanavond voetbal.”
“Echt? Zit die in het Nederlands Elftal?”
“Nee.”
“Oh.”
“Hij is de trainer!”
“Marco van Basten, is dat je achterneef?”
“Ja, echt. Kijk, ik heb hier ook een button van ‘m op m’n jas.”
“Wat leuk. Nou, we hopen maar dat Oranje wint vanavond.”
“Ja mevrouw, sommige zijn voor de Fransen maar ik niet.”
“Nee, natuurlijk niet. Ik ook niet hoor. Ik ben voor Nederland.”
“Ja, ik ook. Ik ook! Marco, dat is mijn achterneef.”
“Ja, nou, veel plezier vanavond en duimen maar.”
“Ja ja! Dag mevrouw! Prettig weekend!”
20.06 inkomende sms:
Onthoud je wat Johan allemaal zegt tijdens de voorbeschouwing?
20.14 uitgaande sms:
We kunnen als we niet winnen gelijkspelen of verliezen – aldus JC
20.57, voor de teevee ergens in Utrecht:
“Dit is voor het eerst dat we samen voetbal kijken.”
“Nu je het zegt.”
“Leuk wel.”
“Ja.”
“Ik heb trouwens je teevee nog even afgestoft.”
“Dat meen je? Mijn zorgvuldig opgebouwde intellectuele imago in één veeg weg lieffie! Duurt weken voordat er weer zo’n laag stof op zit.”
“Sorry. Maar toch wel fijn dat we nu de wedstrijd kunnen zien.”
“Dat is waar.”
22.25, nog steeds voor de teevee ergens in Utrecht:
“Als mensen ons nu konden zien…”
“Hm-mmm.”
“Zoals we hier voetbal zitten te kijken.”
“Ja.”
“Jij in je pak en ik in pyjama.”
Het was een mooie avond.
Opadag
Als we aan komen lopen, zien we in de vensterbank een omgevallen plant liggen. Ik wil al zwaaien maar besef dan dat de stoel voor het raam, waar hij altijd in zit, leeg is. Verontrust turen we naar binnen en ontwaren op het bed in de achterkamer twee kousevoeten. “Hij ligt te slapen.” We hebben de sleutel. Als we de deur van de woonkamer opendoen, heft hij moeizaam zijn hoofd op. “Hallo”, zegt hij. “Hallo. Is het meisje er ook bij?” We pakken stoelen uit de voorkamer en zetten die om het bed.
“Ik kan niet meer overeindkomen, lopen gaat ook niet meer”, zegt mijn opa, die vorige week nog gewoon in zijn stoel voor het raam zat. Hij kreeg last van zijn rechterhand, die zo opgezwollen is dat hij hem niet meer kan gebruiken, en sindsdien is alles erger geworden. Ook zijn andere hand doet nu moeilijk en zijn benen willen niet meer. Hij heeft pijn, hij is afhankelijk van de thuiszorg, van mijn moeder, mijn tante, mijn nichtje… Zijn lichaam wil niet, maar met zijn hoofd is alles in orde. “Ik voel me rot”, zegt mijn opa en ik kan alleen maar antwoorden: “Het ís ook rot, oop.”
We helpen hem overeind, de stoel in die we naar het bed gerold hebben. In de keuken maakt mijn moeder vier koppen oploskoffie terwijl ik een appelgebakje in kleine stukjes snij. Hij geniet ervan, maar waar we vroeger altijd grapten dat opa zo’n gebakje in z’n holle kies stopte, omdat hij het doorgaans binnen dertig seconden of minder op had, brengt hij nu de kleine stukken traag en haperend naar zijn mond.
We aarzelen; moeten we aanbieden om hem te voeren? Voeren. Het woord alleen al doet pijn. Mijn opa. Die grote, grote man. Met zijn imponerende kop en zijn joekels van handen, waarmee hij alles kon maken wat zijn ogen zagen. Mijn opa, met zijn boten en caravans. Die in Noorwegen vissen aan de haak sloeg die bijna net zo groot waren als hijzelf. Mijn opa, voor niemand bang, eigengereid, even moeilijk soms als markant.
Het lijkt wat tegen dovemansoren..
..maar voor de zekerheid waarschuw ik u toch maar even: ‘Het is dus weer zo laat!!’
‘Het zou een religie zonder geloof zijn’
Overal waar ik was, droeg ik u in mij mee. U kleurde mijn indrukken. Die waren droevig omdat u er niet bij was. Ik probeerde ze met al hun details in me op te slaan om ze haast in ruwe hartstocht naar u toe te brengen. Hebt u nooit de harstocht gevoeld waarmee ik ze voor u tot leven probeerde te wekken? Ik vergat u nooit met me mee te nemen, zodat u kon voelen wat ik voelde en niets van mij zou plaatsvinden zonder dat u erbij was: de zon die in mijn ogen scheen, de houding van mijn lichaam in een dans… (…) Met een succes was ik dolgelukkig, want ik kon het met u delen; een tegenslag werd onbeduidend, want ik kon u erover vertellen. Ik wilde meer ondernemen, steeds meer ondernemen, want dan kon ik u die aanwas van mijn rijkdom brengen.
#
En uw brief van vanmorgen was precies de brief die ik moest krijgen. Ik had af en toe de neiging om de pijn die ik voelde te vergeten; ik wilde hem ‘keren’; mijn liefde verzon listen om zichzelf te misleiden en, door welbewust de ogen te sluiten, genoegen te nemen met de gevoelsbanden die achter elke gebroken liefde aan slepen. Je blijft uitkijken naar een brief; tijdens een bezoekje hoop je een illusie van het verleden terug te vinden; je hart bonst als de deur opengaat; de handdruk roept dezelfde emotie op als vroeger de kus; een meegebrachte roos bewaar je zorgvuldig; een banaal compliment lijkt een uiting van nostalgie. Vervolgens wordt de betovering verbroken en weet je heel goed dat het allemaal bedrog is. Het zijn soepele lianen die zich vastgrijpen, je een vervlogen verleden binnentrekken en je de kracht om te handelen en te leven ontnemen.
#
Ik heb uw brief verfrommeld en dat voelde als een bevrijding. Met dat gebaar heb ik uw liefkozingen en de zompige modder van het verleden afgeschud. En ik constateerde dat ik strijdvaardig was, klaar om het leven dapper zonder u onder ogen te zien. (…) Maar waarom zou ik bij u blijven om de schijn op te houden van een leven dat er niet meer is? Het zou een religie zonder geloof zijn.
Uit: Commentaar – Marcelle Sauvageot
Dingen die eigenlijk niet kunnen maar het afgelopen etmaal wel gebeurden
* In de paar uur dat we op het terras zaten, telden we dertig kale mannen in en om het oudste café van Nijmegen. Misschien een bijeenkomst van een Geheim (doch in het oog springend) Genootschap?
* Ik pinkte een wrang traantje weg, nog steeds op het terras, bij het horen van Beppie Krafts ‘kom in mien erm’ en zong later in een vlaag van zelfverlies mee met het ‘Nijmeegs volkslied’ (waarvan ik de tekst dus blijk te kennen).
* Een oud-docente omschreef ik (na vier bier maar dat is geen excuus) als ‘iemand die eruitziet als een goedaardige tumor’.
* Mijn gezelschap bleek niet alleen Peter Koelewijns ‘KL204′ te kennen (wat me al voorkwam als een klein wonder) maar was er ook nog eens net zo lyrisch over als ik.
* Bij het wakker worden bleek op mijn rechterwijsvinger een nicotinevlek te zitten.
* In het zicht van ‘t hele park fietste ik met mijn dunne bandjes in een rooster, waarna ik omviel.
Kippenvel
Ze leerden mij luisteren naar Neil Young, Boudewijn de Groot, the Rolling Stones, Nina Simone, the Creedence Clearwater Revival, the Outsiders, Them, the Beatles en nog veel meer.
Nu zaten ze bij mij op de bank en vroegen: “Die Rufus van jou, laat daar eens wat van horen.”
Dus ik draaide Rufus. Ze vonden het een beetje vreemd maar toch wel mooi.
Daarna liet ik, op dreef gekomen, iets van Antony and the Johnsons horen.
Mijn moeder stak haar arm naar voren en zei: “Kijk eens, kippenvel.”
Mijn vader zei: “Dit vind ik heel bijzonder.”
Nadat Antony was uitgezongen, viel er een stilte.
“En laat nu eens iets van Leonard Cohen horen, daar ga je toch binnenkort naar toe?”, vroeg mijn moeder.
“Maar díe kennen jullie toch wel?”, zei ik.
Ze schudden hun hoofden, mijn ouders. “Op de een of andere manier hebben we die gemist”, zei mijn vader.
Ik zette eerst ‘Take this waltz’ op en daarna liet ik ‘Hallelujah’ horen.
“Erg mooi”, vonden ze beiden en ze vroegen zich af hoe Leonard Cohen toch al die jaren aan hun aandacht had kunnen onstnappen.
“Wacht eens, dan laat ik jullie Jeff Buckley’s versie van ‘Hallelujah’ horen.”
Niemand zei meer iets nadat de eerste tonen hadden geklonken.
Al luisterend keek ik strak naar het glas bier voor me.
Pas toen Buckley uitgezongen was, richtte ik mijn hoofd op en zag dat mijn ouders allebei tranen in hun ogen hadden.
“Dit is één van de mooiste dingen die ik ooit gehoord heb”, fluisterde mijn vader.
Om mijn ontroering te verbergen, stak ik nog maar een sigaret op en besefte dat de tijden van de ogenschijnlijk onoverbrugbare generatiekloof -toen mijn ouders verwonderd verzuchtten wat ik toch zo leuk vond aan ‘die herrie van Nirvana’- voorgoed voorbij zijn.
Life rears up it’s beautiful ugly head
De hele week was ik in de ban van het verhaal van Chris McCandless, aka Alexander Supertramp. Ik zag de film en las het boek. Ik schuimde het internet af, op zoek naar foto’s, filmpjes en alles wat maar met McCandless of de film te maken had.
Wat raakte me zo in het verhaal over deze hyperenergieke, charismatische, idealistische adolescent die niet alleen fysiek maar ook mentaal zijn grenzen verlegt en in zijn queeste naar de absolute vrijheid net iets te ver over de rand van de afgrond kijkt?
Begrippen als ‘amor fati’, ‘hybris’ en ‘het sublieme’ kwamen in me op, maar ik slaagde er rationeel niet in een en ander overtuigend met elkaar te verbinden. Terwijl ik toch onontkoombaar iets vóelde. Iets wat wezenlijk was, kwetsbaar en keihard tegelijk, groot en klein, ijzingwekkend en hartverwarmend. ’A compelling and ugly story’, zei een talkshowhost op youtube.
‘Het schitterende en het gruwelijke zijn kanten van dezelfde medaille; het leven heeft een Januskop’, schreef ik in mijn dagboek toen ik 19 was en net in de grote stad woonde. Om absoluut vrij te zijn, vond ik, moest ik oude banden verbreken -of het nu om mensen of materie ging- en me met huid en haar uitleveren aan de ervaring, aan het andere, het onbekende… kortom, aan het leven zelf. En daarmee misschien ook aan de dood.
Inmiddels kom ik dus in de buurt van het antwoord op de vraag wat me zo raakt in het verhaal van Chris McCandless zoals het verteld wordt in Into the Wild. Maar over dat antwoord ga ik niet verder uitweiden dan ik al heb gedaan.
Wat ik nog wél kwijt wil, is dat ik een man als Eddie Vedder wil.
Of Sean Penn.
Da’s ook goed.
Zo moet het haast wel gaan
Beneden, in de kelder van de Koninklijke Bibliotheek, zit juffrouw Pen aan haar bureau en slaat met een zucht een boek dicht. In het halfduister staart ze enkele seconden voor zich uit. Dan pakt ze een vel papier en draait het in de typemachine. Haar vingers blijven aarzelend boven de letters hangen. Huwelijk, denkt ze, twee mensen. Worsteling. Of misschien is midlife crisis beter. Hm, dat bierflesje -ze werpt schuins een blik op haar aantekeningen- op pagina 44 speelt natuurlijk ook een grote rol in het geheel. Ja, ja, dat is het.
Juffrouw Pen recht haar rug, schuift naar het puntje van haar stoel en begint als een razende te tikken. Anderhalve minuut later echoot haar laatste aanslag -een punt, want juffrouw Pen is zeer secuur- na door de krochten van de Koninklijke Bibliotheek; uitgeput valt ze achterover in haar stoel en frommelt een losgeraakte pluk haar terug in haar knot.
Juffrouw Pen moet even op adem komen, maar trekt dan het vel papier uit de typemachine en leest na wat ze geschreven heeft: ‘Een man en een vrouw van middelbare leeftijd komen na een ontwrichtend incident met een bierflesje tot de conclusie dat hun huwelijk zijn beste tijd heeft gehad.’
Drie, vier keer leest ze de zin over en legt het papier dan op de stapel naast zich. Ze wéét dat ze het ‘m weer geflikt heeft. Tevreden reikt ze naar het volgende boek.
Wat er is
Niet alleen verdriet maar ook geluk schuilt in kleine dingen. Een picknick in het park, een smsje van een goede vriendin, de zaterdagkrant lezen in de zon, dat ene liedje dat op de autoradio voorbijkomt, vader koolmees zien verdwijnen in het nestkastje met een worm tussen zijn snavel, een kort gesprek voeren met een wildvreemde over de betekenis van Pinksteren, een perfect gelukte salade nicoise op tafel toveren, met de balkondeuren open op de sofa in slaap gewiegd worden door het geroezemoes dat opstijgt van het terras beneden, met blote voeten door de branding lopen, het afhandelen van een klusje op je werk waar je al weken tegenop ziet, de geur van versgezette koffie als je net wakker bent, opeens de juiste woorden weten te vinden, je ouders liefdevol horen kibbelen in de keuken, een broodje paling eten in Katwijk aan Zee, je autootje eigenhandig ergens langs de snelweg voltanken en weten dat je weer wat kilometers kunt maken, na een lange dag buiten rozig en moe in een schoon bed kruipen, beseffen dat je op je eigen yellow brick road loopt… Dat leren de kleine dingen je, zowel die waar verdriet als die waar geluk in schuilt: kijk, dit is wat nu is, dit is nu, dit ís. Het is de eenvoud van simpelweg er zijn, en in dat zijn ben je vrij en heb je alle tijd.
Volgende keer wat leuks
Niet alleen geluk maar ook verdriet zit in kleine dingen. Hoe kleiner het ding, hoe groter het verdriet lijkt wel. En omdat ze zo klein zijn, die dingen, zie je ze niet aankomen; ze staan opeens voor je neus, trekken een gekke bek en maken een triomfantelijk, wat treiterig dansje.
Zoals plots zijn drie-maten-te-grote rode zwembroek tegenkomen tussen je ondergoed, zijn zakdoeken onder je bed en tussen je sokken vinden, beseffen dat je geen bier in huis hebt, op drie pakken poederaardappelpuree stuiten en niet weten wat je ermee moet, een vage kennis tegen het lijf lopen die ter afscheid zegt: “Jullie ook een goed weekend”, het boompje dat hij kocht voor op het balkon elke dag groter en groener zien worden, de boeken die op zijn nachtkastje lagen weer in de kast zetten, tussen de middag een eitje bakken met ham en tomaat en dan beseffen dat je dat alleen op moet eten, een nieuwe dode schrijver (Voskuil) op je slaapkamermuur plakken naast de andere dode (Bomans, Wolkers, Reve, Hermans, Claus) en levende (Biesheuvel) schrijvers die je samen met hem op de muur plakte, Rita Verdonk bij De Wereld Draait Door moeten zien terwijl het doodstil blijft om je heen, Philip Freriks, etc…
It’s the stupid details that my heart is breaking for zong Elvis Costello ooit. Hm. Denk dat ik wel begrijp wat-ie bedoelt.
Gele rozen
Het is ochtend. Ik zit op het balkon en doe een poging tot lezen met een grote donkere bril op mijn neus om mijn tranen te verbergen. “Hoi.” Ik kijk op van mijn boek. Het is de achterbuurman.
De achterbuurman, van wie vrouw en kinderen een half jaar geleden zijn vertrokken. De achterbuurman, die ik niet ken maar waarvan ik weet dat hij sindsdien dagen in zijn rommelige slaapkamer heeft doorgebracht. Op zijn balkon stond lange tijd niets anders dan een oude stoel en een asbak. Ik voelde met hem mee. Een stoel en een asbak, een rommelige slaapkamer, soms is dat gewoon alles wat er is. Maar toen ik gisteren thuiskwam, zag ik dat hij een tafeltje op zijn balkon had gezet met daarop een bos gele rozen.
Zo een dag
Het is zo’n dag waarop…
- de kater van zaterdag nog steeds niet is uitgewerkt (echt, ik rook en drink nóóit meer)
- het eigenlijk een griepje is waardoor ik me zo brak voel maar ik heb geen zin in een griepje
- er geen ontbijt in huis is
- het zo hard regent dat er grote bellen in de plassen opborrelen
- een collega bij de koffieautomaat aan me vraagt: “En, hoe is het met je allenige leven?”
- ik tijdens de lunch een aanlokkelijk uitziend frituursel op mijn bordje laadt waar bij nader inzien een laf, glibberig groenteprutje in blijkt te zitten
- er een haakje aan mijn beugel is ontsnapt, waar als ik praat mijn onderlip aan blijft hangen; ik weet nu hoe een snoekbaars zich moet voelen
- mijn rendez-vous met Nick Cave is afgezegd; op sommige dagen is het nu eenmaal beter om een zeer kleine actieradius te hanteren, vroeg naar bed te gaan en te hopen dat morgen alles anders is
‘De lucht rook naar gras’
In belangrijke mate ben je wat je je herinnert. Als je jezelf niet toestaat bij die herinneringen stil te staan, ze een plaats van betekenis te geven, ben je aan het verdwijnen, dan is dat de bezigheid die je leven is: je wordt alleen maar ouder, er blijft steeds minder tijd van leven over, je bent aan het weggaan.
(…)
‘Ik zat daar’, zeg ik. Ik wijs naar een appelboom. Goudrenetten. ‘Je had er een fauteuil neergezet. Je ging er nog een halen. De eerste zomeravond in dit huis, deze tuin. Het was ook de eerste dag van de zomer. Ik ging in de stoel zitten. En ik keek naar de hemel. Het was nog niet helemaal donker. De lucht rook naar gras en de warme dag die bijna voorbij was. Ik dronk wijn. Jij kwam met de andere stoel naar buiten. Op de zitting stond een witte doos, niet al te groot. Je zette de stoel neer en gaf me die doos. “Een cadeau”, zei je. “Voor ons.” Ik opende de doos. Er zat een kleine rode kat in. Misschien een week of tien oud. Het dier keek geschrokken, maar zag er toch niet uit of het echt bang was. “Hoe oud zou een kat worden?” zei je. “Een jaar of vijftien, zestien. Dan zijn we hier nog. Jij en ik, die kat misschien, oud. Met die tijd gaan we het doen.” Je kuste mij. Je kuste de kat op zijn neus.’
Uit: Onze dagen - Thomas Verbogt
Dag Ronald jongen
Ik dacht, ik weet niet wat ik dacht maar ik denk nu wat is dit ***.
- vrij naar Joost Nuissl
Met aanvankelijk weinig bijgedachten reed ik aan het begin van de middag naar G. waar bolletje Ronald nog steeds op stal stond. Vorige week mailde ik wat foto’s rond en toen ging het snel. “Wij willen er graag in de meivakantie al mee weg!” Mijn omgeving reageerde verbaasd. “Wat? Ga je Ronald verkopen?” Maar ik wist het zeker. Loslaten is een kunst die ik steeds beter lijk te beheersen. “Alleen als je diep-, díepongelukkig wilt worden, ga je in je eentje op een stil, paradijselijk plekje zitten waar je ooit met z’n tweeën blij bent geweest.”
Zo gezegd bleek dus nog iets anders dan ‘effetjes’ gedaan. Zodra ik de weg naar de camping opreed, kneep verdriet mijn keel dicht bij het zien van de glooiende velden met op de achtergrond het altijd weer imponerende silhouet van het Reichswald; de prachtige omgeving waarin wij het voorrecht hadden een beetje thuis te komen. Toen ik vervolgens na een lange winter de deur van Ronald opengooide en hij me begroette met zijn authentieke caravanluchtje en aandoenlijke interieur, protesteerde mijn hart. ‘Dit ben ik’, dacht ik, maar tegelijkertijd wist ik dat ik er goed aan deed.
Gelukkig was ik niet helemaal alleen op het erf terwijl de nieuwe eigenaars kreetjes van verrukking slaakten en opgetogen kennismaakten met het caravannetje. Een glas ijskoud water stond al voor me klaar op de grote houten tafel. Ronald was nog niet uit zicht of daar kwamen de tranen. De oude hond, die vanaf zijn plekje in de schaduw het tafereel rustig had gadegeslagen, richtte zich op en kwam naar me toe. Hij legde zijn poot op mijn knie en keek me aan.
“Huilen is goed”, zei M. terwijl ze mijn glas nog eens volschonk.
“En weet je? Als je zin hebt om nog eens een weekendje te komen, dan kom je toch gewoon? Met een tentje of je huurt de stacaravan.” Ik lachte door mijn tranen heen.
“Niet alles hoeft voorbij te zijn”, voegde M. er nog aan toe en ik weet dat ze gelijk heeft.
Maar pijn doet het wel.