“Hmm…(gaap)… wat doe je?”
“Ik ga even water pakken.”
“Oh. Ik stond net in de bibliotheek naast Johan Cruijff.”
“Je stond net in de bibliotheek naast Johan Cruijff?”
“Ik zei: ‘Dag meneer Cruijff’ en toen lachte ie naar me.”
“Tjee.”
“Ja.”
“Had ie ook boeken geleend?”
“Ja, wat literaire werken, een paar boeken over voetbal (alsof ie die nodig zou hebben!) en het kookboek: ’Eieren zo groot als kastelen bakken’.”
“…?!”
“Zzzzz…”
Maandelijks archief: oktober 2008
Geheel in de geest van George
Zondag waren we op die fijne plek. En luisterden naar een paar van Nederlands beste muzikanten die een paar van de beste nummers ooit geschreven ten gehore brachten. Het was een onbeschrijfelijk fijne middag, zo een die zich dus nooit in woorden laat vangen.
Behalve dan dat ik er heel gelukkig van werd. Dat ze Savoy Truffle speelden en I’d have you anytime en What is Life en All things must pass en Bangladesh en natuurlijk My Sweet Lord en… en… en dat ik, in dat intieme zaaltje met de roodfluwelen gordijnen langs de wanden, opeens alleen nog maar uit muziek bestond. M’n hele ego was verdwenen!
Een jaar lang eenmalig fan
Gisterenavond zat ik op de bank te denken over de zin van het leven enzo, toen er op mijn kamerdeur werd geklopt. Het was de bovenbuurvrouw die mij haar telefoon gaf: “Het is iemand van de NCRV en hij belt op mijn telefoon maar hij vraagt speciaal naar jou.”
In een fractie van een seconde schoten verschillende scenario’s door mijn hoofd. Hadden ze mijn CV toevallig ergens daar liggen? Waren ze op zoek naar de nieuwe Mieke van der Wey? Of naar een frisse presentatrice voor een eigentijdse variant van Weg van de Snelweg? Misschien zochten ze leuke gewone mensen voor een nieuw programma over leuke gewone mensen.
Vol verwachting maar naar ik hoopte met de nodige cool in mijn stem, zei ik: “Dag, met Nina van Zoomeren”, ervan uitgaand dat mijn naam al menig belletje deed rinkelen daar bij de NCRV in Hilversum. “Dag mevrouw Van Zoomeren”, klonk het -ik had toen reeds kunnen weten dat het mis was. “Kent u Man Bijt Hond?” Ja, natuurlijk! Verslaggever bij Man Bijt Hond, had ik dat inderdaad niet ooit geambieerd? En als ze hier met camera en al wilden aanschuiven voor de avondmaaltijd, ook nog een optie, nou, dan waren ze van harte welkom. “Zeker”, antwoordde ik, enthousiast maar niet te gretig.
Er viel een korte stilte.
Brandend van nieuwsgierigheid wachtte ik af. “En Praatjesmakers? Kent u dat?”, vervolgde de jongeman het gesprek. Verbouwereerd antwoordde ik: “Nee”. Toen: “Ja.” En: “Liever niet.” De jongeman lachte. “Oké. En Hello Goodbye. Kent u dat?” Wat moest ik zeggen? “Heb ik wel eens gezien”, mompelde ik.
“Sorry, ik versta u niet goed.”
“Ja eh, heb ik wel eens een enkele keer gezien. Bij de kapper.”
“Oké. En Villa Felderhof. Kent u dat?”
“Ja, ken ik”, zei ik lijdzaam, mij voegend in mijn -zoveel was me inmiddels wel duidelijk- weinig glorieuze rol. “Mooi. En als u nu uit deze programma’s een programma mocht kiezen, welke zou u dan kiezen?”
Mijn verzet was gebroken.
“Man Bijt Hond.”
“Oké. Man Bijt Hond dus.”
“Ja”, stamelde ik en met een genadeloos gevoel voor zelfkastijding voegde ik daar nog aan toe: “Dat vind ik dan nog wel een leuk positief programma voor de mensen. Over leuke gewone mensen enzo.”
“Goed. Want weet u, de NCRV zoekt namelijk om haar zendtijd niet gehalveerd te zien worden fans voor haar programma’s. Voor 15 euro kunt u eenmalig een jaar lang fan worden van Man Bijt Hond, zodat uw lievelingsprogramma gegarandeerd op de buis blijft.”
Behalve met een levendige fantasie ben ik ook gezegend met de ruggengraat van een weekdier. Ik ben nu dus een jaar lang eenmalig fan van Man Bijt Hond. Over een paar dagen ligt er een Man Bijt Hond-presentje, speciaal geadresseerd aan Nina van Zoomeren, in mijn brievenbus. Ik kan haast niet wachten.
‘Zie je wat aan me?’
“Je haar! Je haar is anders.”
“Dat was de vorige keer dat je me zag ook al zo.”
“Andere kleur dan?”
“Nee. Kijk nog eens goed.”
“Een pony, die had je eerst niet, toch?”
“Wel.”
“Oh.”
“Ja.”
“Wacht. Is er iets met je jukbeenderen? Die steken verder uit. Kan dat?”
“Ik weet niet of dat kan.”
“Dat je afgevallen bent ofzo, een smaller gezicht hebt.”
“Volgens mij niet hoor. Dat bedoel ik in ieder geval niet.”
“Je bent een beetje bruin, is dat het? Ben je onder de zonnenbank geweest?”
“Nee.”
“Oorbellen, je hebt nieuwe oorbellen.”
“Nee.”
“Nu zie ik het! Ja! Je hebt je wenkbrauwen geëpileerd!”
“Nee.”
“Iets met je neus, je neusgaten zijn kleiner.”
“Nee.”
“Je bril! Je hebt je bril niet op!”
“Ik heb geen bril.”
“O ja.”
“Kijk nu nog eens goed!”
“Wat zit je nou raar te lachen?”
“Kíjk dan!”
“Je tanden, je hebt je tanden laten bleken!”
“Néé!”
Hij is-t-er uit!
‘In deze man verliest ze een liefde’
Het is een artikel uit de NRC, geschreven door Pieter Steinz. In de serie ‘Zwanenzangen’, over het laatste opvallende nummer van popmusici die voortijdig en op het hoogtepunt van hun roem overleden. Het verscheen op de dag dat Jacques Brel 18 jaar dood was: 9 oktober 1996.
Vandaag 12 jaar geleden dus.
Dit is het enige ingelijste artikel, van al die krantenknipsels en stukjes die ik destijds de moeite waard vond om in te lijsten en op te hangen, dat niet ergens in een doos ligt te verstoffen. Bij de laatste verschuiving (zoiets als een verhuizing maar dan anders) in mijn leven kwam ik het artikel -met een prachtige foto van Brel, even schalks als gekweld en met een sigaret in zijn mondhoek geklemd- weer tegen en ik besloot het niet terug te stoppen in de doos waar het uit tevoorschijn kwam.
Sindsdien staat de lijst een beetje doelloos en onbeholpen in mijn boekenkast. Ik twijfel. Kan ik een artikel dat ik in 1996 uitknipte en inlijstte nu nog steeds ophangen, nu de grond onder mijn voeten na talloze aardverschuivingen er zo anders uitziet? Ik weet het antwoord wel. Brel was er al vóór alles en hij is altijd gebleven en hij gaat nooit weg.
‘Het is het droevigste afscheidslied dat ik ken. In de vertrekhal van een groot vliegveld, vlak voor een point of no return, staan een man en een vrouw tegenover elkaar. (…) Niemand die luistert naar het chanson ‘Orly’ zal eraan twijfelen: dit is geen afscheid voor een maand, voor een jaar, dit is een afscheid voor het leven. (…) Brels ‘Orly’ is geen romantiek met een monter accent, zoals die andere beroemde afscheid-op-het-vliegveldscène, in Casablanca. Het is een langzame danse macabre die duidelijk maakt dat weggaan soms hetzelfde als sterven is. Als er iets pijn doet, lijkt de doodzieke Brel te willen zeggen, dan is ‘t het snijden – veel meer dan het afgesneden zijn.’
Fragmenten uit het NRC-artikel ‘In deze man verliest ze een liefde’, door Pieter Steinz, verschenen op 9 oktober 1996.
Sinterklaas zit in de lucht
“Er wordt zoveel gekletst hier.”
“Ongelofelijk veel. En jullie zijn nu eenmaal voer voor speculaties.”
“Ja.”
“Je weet hoe dat gaat.”
“Voer voor speculaasjes.”
“Inderdaad.”
Het is niet alleen de herfst die mij aan het huilen maakt
Op de radio een (mannelijke) presentator aan een vrouw die een therapieprogramma voor verkrachte meisjes heeft ontwikkeld horen vragen: “Maar eh… het kán natuurlijk niet, maar eh… die meisjes voelen zich vies, terwijl je zou het toch ook… ik bedoel, het heeft toch ook met begeerte te maken. Waarom hoor je zo vaak dat meisjes zich vies voelen daarna?”
Weten dat er een wanhopig mens op de Waalbrug zit en kennisnemen van de reacties van andere mensen: ”Hop, onder stroom zetten die brug!” “Er zijn tóch al genoeg buitenlanders, we kunnen er wel eentje missen.” ”Ik heb zóóó lang in de file gestaan, waarom springt die vent niet gewoon?”