Donderdagavond met oma’s fotoboek

‘Mooie foto zeg, van u beiden.
U was een knapperd!
En opa mocht er trouwens ook best wezen.
Waren jullie hier al getrouwd?’

”s Kijke.
Nee hier hadden we net verkering.
21 was ik.
Jan dus 20.
Z’n broer Gerard had in die tijd ook een meisje.
Uit Rotterdam.
Hoe ze heette weet ik niet meer, nee.
En hoe ‘ie kennis aan haar had gekregen zou ik ook niet eens meer kunnen navertellen.
Rotterdam was in die tijd best een eind uit de richting namelijk, vanuit Hilversum gezien.’

Maar als je verkering kreeg gaf de een de ander een Heilig Hart-beeld.
Dat dééd je.
Tóen.
Dat was gebruik.
In ónze kringen dan.
Helaas ging het tussen Gerard en dat meisje in ene over.
Verdrietig ja, maar die dingen gebeuren.
Dus met goed fatsoen moest dat beeld toen natuurlijk wel naar haar terug.

Nou, toen heb Jan geopperd dat wij dat wel even bij haar zouden afleveren.
Dat beeld.
Maakten we er gelijk een daggie van.
Wij samen.
In Rotterdam.

Ik zie het nóg voor me: ‘Wij in die rammelende tram, Jan die dat beeld onder z’n jas strak tegen zich ‘an houdt om maar te voorkomen dat het breken zou.’
Hij had ‘t zweet op z’n voorhoofd staan.
We komen bij haar huis. Bellen aan. Ze doet open. Jan reikt ‘r dat beeld.
Maar klaarblijkelijk was ze nog best een beetje boos op Gerard.
Want ze pakt ‘t ‘an, en smijt ‘t voor onze voeten in duizend stukjes op het tuinpad kapot.
Oh, ik wis nie waar ik kijke moest!’

‘Jeetje oma!
Wat zonde!
Zo’n mooi beeld!’

‘Wat je zegt, jongen, wát je zegt.
En ook niet bepaald ‘katholiek’, om zoiets te doen.
Maar dat terzijde.

Aan de andere kant: een week later werd Rotterdam gebombardeerd.
Dus d’r zou sowieso niet veel van heel gebleven zijn….

Maar affijn.
Op die dag is deze foto dus gemaakt.
De ketting die ik daar draag had ik die ochtend van Jan gekregen.
Mooi he?
Heb een neefje van me – en ook van je vader dus eigenlijk- later nog eens kapot getrokken.
Per ongeluk hoor!
Was niets dan speelsigheid van ‘m.

Kijk, da’s toevallig: op dit kiekje heb je ‘t knaapje.
Zie dan toch: Zo’n braaf ventje!
Zoontje van m’n zus.

Drie weken na deze foto was ie dood.

Maar da’s weer een heel ander verhaal.’

Geef ons water

Het Nationaal Ouderenfonds is een campagne begonnen om eenzaamheid onder ouderen te bestrijden. Op de campagnesite is het volgende te lezen: Geef kleur aan het leven van eenzame ouderen! Gezelschap en aandacht zijn voor veel ouderen als water voor planten; ze hebben het nodig en fleuren er helemaal van op.
Nu heb ik helemaal niks tegen een campagne die mensen oproept om naar hun oudere medemens om te kijken. Want ik hou van oude mensen; eens in de twee weken praat ik met een groep ouderen, over -inderdaad ja- eenzaamheid, afhankelijkheid, verlies, familie, geluk, religie, hun jeugd… Met tranen in mijn ogen stapte ik op de fiets, na de eerste sessie met ‘mijn’ groep. Tranen van een vreemd soort geluk, van geraakt zijn in je diepste wezen. Ouderen zijn niet per se leuk, lief en aardig maar vaak wel ontzettend zichzelf.
Dus ja. Ik hou van oude mensen; ze gaan me aan het hart. In principe vind ik de campagne (en het Ouderenfonds) een goed initiatief, maar over de manier waarop had voor mij een seconde langer nagedacht mogen worden.
Niet dat het vergelijken van ouderen met planten mij te ver gaat. Neuh. Of… nou ja. Misschien gaat het toch net een íetsiepietsie te ver. De ouderen die ik ken, zijn namelijk heel anders dan de planten in mijn omgeving: zo praten ze terug en maken ze grapjes of lachen ze om grapjes die jij maakt. Ook knijpen ze vaak even in je hand als je afscheid van ze neemt.
Nee, het is omdat de campagne suggereert dat een oudere een apart soort mens is. Namelijk een mens die -rara, hoe kán het toch?- opfleurt van aandacht en gezelschap. En daar maak ik bezwaar tegen. Ik durf namelijk te beweren dat ouderen gewone mensen zijn, en dat álle mensen aandacht en gezelschap nodig hebben. Zonder water -en iemand die ons dat water geeft- wordt het immers niks in dit leven.

Ik lijk op Astrid Joosten en een erwt

“Weet je?”
“Hm?”
“Ik lijk op Astrid Joosten met dat nieuwe haar!”
“Ja-aa… Nu je het zegt. Met dat leren jasje ook. Ik zie wat je bedoelt.”
“Astrid Jóósten!”
“Is daar iets mis mee?”
“Is daar iets mis mee, is daar iets mis mee…”
“Zo erg is dat toch niet? Iedereen vond Astrid Joosten leuk.”
“Ja, in negentienvierentáchtig. ”
“Tja…”
“Ik had het zelf nooit moeten zeggen hè, dat ik nu op Astrid Joosten lijk.”
“Je had het nooit moeten zeggen.”

“Brrr. Koud is het.”
“Nee joh.”
“Wel, voel m’n voeten maar.”
“Die zijn toch niet koud?”
“Nou! Ik vind van wel.”
“Hoe moet dat straks, als het écht koud is?”
“Als het nóg kouder is, bedoel je?”
“Vooruit, als het nóg kouder is.”
“Een dikke pyjama, sokken en drie dekbedden.”
“Drie dekbe…?!”
“En soms ook nog een muts.”
“Een muts?”
“Ja.”
“En dríe dekbedden?”
“Ja, zoiets als de prinses op de erwt en dat ik dan de erwt ben.”
“…”