Mijn eerste schreden op het hospitapad

Uitgaande mail, dinsdagmiddag, 16.35 uur:
Hee! Ze hebben een filosoof voor me! Uit Duitsland, hij heet Friedrich en studeert af op Foucault.

Inkomende mail, dinsdagmiddag, 17.05 uur:
Grab him!

Telefoongesprek, dinsdagavond, 21.10 uur:
“Hello. Is this Friedrich? It’s about the room.”
“Yes, hello? Hello? Wait, I’ll walk to the other room because there is too much noise here.”
… (dronkenmansgelal op de achtergrond)…
… (gestommel)…
“This is better. So you have a room?”
“Yes, but I’m not sure if all your friends can come and live here as well.”
“Oh no. I wouldn’t want them to.”
“Okay. Do you want to come over tomorrow evening to see the room?”
“Yes, that would be great.”
“Eight o’clock?”
“That’s fine.”
“Okay, see you tomorrow at eight.”
“Yes. Bye.”
“Bye.”

Inkomende mail, woensdagochtend 05.36 uur:
Hi Nina,
See you tomorrow around 20h. Should I just knock on the frontdoor?
Friedrich

Uitgaande mail, woensdagochtend 11.25 uur:
Hello Friedrich,
We have a doorbell.
Nina

Wordt ongetwijfeld vervolgd…

De stem van zijn baasje

 Al weer drie avonden achtereen schettert vrijwel onafgebroken ‘Indian Love Call’ door mijn kamer; een lied uit de musical ‘Rose-Marie’ uit 1924 van de componist/pianist Rudolf Friml. (U weet wel)

De artiest die de vertolking van dit nummer niet geheel onverdienstelijk (op cinemaorgel) voor zijn rekening neemt is Jesse Crawford, maar ondanks het feit dat de beste man in zijn dagen bekend stond als ‘Poet of the organ, Wizard of the Mighty Wurlitzer’  durf ik zomaar te vermoeden dat ook zíjn naam niet direct een belletje bij u doet rinkelen.

Enfin.
Doet er ook eigenlijk niet toe.
‘Indian Love Call’ is best wel een beroerd nummer, namelijk.
Bovendien is ‘Musical’ niet bepaald mijn genre.
En als ik érgens een bloedhekel aan heb dan is het wel aan orgel, in welke vorm dan ook.

‘Waarom uzelve dan toch keer op keer pijnigen met dat zelfde lied’, is de vraag die u mij met recht zou mogen stellen.
Welaan, dat zal ik u verklappen, al is het antwoord voor u waarschijnlijk even onbevredigend als nietszeggend: ‘ik kreeg het cadeau bij een aanschaf die ik zondag jongstleden deed’.

Mocht u ter broodnodige variatie echter de laatste van Coldplay, Radiohead of (desnoods) Britney Spears in de aanbieding hebben, dan houd ik mij daarvoor van harte aanbevolen.

Maar dan wel graag op 78 toeren…

Verder lezen

(Herh.)

Vanmiddag leiden alle wegen naar het Zuiden. Nee, er zal niet veel veranderd zijn daar. Waar de vrouwen een jasschort dragen, Jezus immer aan het kruis hangt, de enige eetgelegenheid Au Pied de Cochon heet en waar de mannen zich op zondagmiddag verzamelen in het café om steeds uitgelatener te worden door het bier en het tijdelijk afwerpen van het echtelijk juk – o zaligheid.

Wij zijn dus even weg. Salut!

Het einde van de tussentijd

Het was halverwege de jaren negentig. Kurt Cobain schoot zich dat voorjaar door zijn hoofd en ik belde mijn vriendje van de middelbare school om het erover te hebben – onze verkering was immers begonnen op de dag dat hij ‘Polly’ voor me speelde op zijn gitaar – maar we wisten niet veel tegen elkaar te zeggen. Ik was één kilo aangekomen en woog nu negenenveertig kilo. Mijn ouders leken zich minder zorgen om me te maken; in ieder geval maakte ik me minder zorgen om hen.
Ik leidde nu mijn eigen leven, vanaf de dag dat ik het provinciestadje waar ik was opgegroeid had verruild voor Amsterdam. Al snel had ik een trage routine ontwikkeld; die acht uur hoorcollege in de week vergden weinig inspanning. Ik genoot ervan om een paar haltes eerder uit de tram te stappen en over het Waterlooplein naar de Oudemanhuispoort te slenteren. Eenmaal in de collegezaal werd ik vooral in beslag genomen door het observeren van mijn medestudenten. Zo was er de punker die altijd twee verschillend gekleurde schoenen droeg en als mensen hem daarop aanspraken triomfantelijk riposteerde: “Jij draagt anders ook twee verschillende schoenen. Heb je daar wel eens over nagedacht?” En de mooie jongen met het zwarte haar die eigenlijk liever automonteur wilde worden dan filosoof, het labiele meisje dat een relatie had met een bekend acteur, de graatmagere vrouw die steevast gewapend met een kussentje de collegezaal betrad, het lelijke meisje dat drie klassen overgeslagen had en alles beter wist. Met sommige van hen raakte ik min of meer bevriend, het soort toevallige vriendschap dat even onopgemerkt begint als weer verdwijnt.
Als ik geen college had, wandelde ik vaak tegen het middaguur langs de Ringvaart naar de lunchroom van Kwekkeboom. Daar bestelde ik een koffie verkeerd, die altijd werd geserveerd met een vierkantje smeuïge boterkoek, waar ik me bij het wakker worden al op kon verheugen. Na de koffie rookte ik een sigaret en keek uit het raam naar de mensen die voorbijkwamen. De meesten spoedden zich voort maar er waren ook mensen bij zoals ik, mensen die geen enkele haast leken te hebben. Ik bevond me in de tussentijd en dat beviel me wel.

Verder lezen

Scenes from a campsite (2)

‘Zijn we eigenlijk niet een beetje asociaal bezig?’, vroeg mijn vriendin terwijl we op die eerste dag, in het zonnetje voor onze tent gezeten, ons ontbijt genoten.
Met mijn wenkbrauwen fronste ik om verduidelijking.
‘Nou’, zo kwam mijn vriendin aan dit verzoek tegemoet, ‘ik bedoel: nemen we met die kolossale tent van ons, met al die scheerlijnen en zo, en die luifels naar drie kanten toe eigenlijk niet véél te veel ruimte in beslag, vergeleken bij de buurtjes?’

‘Hmmm’, knikte ik geestdriftig terwijl ik met een slok aanmaak-espresso mijn laatste hap croissant met-roomboter-en-kersenjam wegspoelde, ‘grappig dat je daar over begint’, en ik voelde terstond hoe een breeduitgesponnen en oeverloos antwoord op haar prangende vraag in mij begon op te borrelen.
Niet dat m’n vriendin daar om vroeg, laat stáán dat ze er op zat te wáchten, maar dat kon mij al niet meer weerhouden: ik hoor mijzelf namelijk véél te graag praten.

‘Om je in te laten zien waarom ik allerminst wakker lig van die -overigens alleszins begrijpelijke!- vraag die jou klaarblijkelijk kwelt, is het allereerst van belang dat wij enige klaarheid scheppen betreffende aard en wezenskenmerken van de gelegenheidsgemeenschap waarbinnen wij ons thans bevinden’, zo begon ik te orakelen.

Verder lezen

Scenes from a campsite (1)

Het liep al flink tegen duister toen m’n vriendin bij de camping-receptie kond deed van onze aankomst. ‘Laat mij dit maar even regelen’, had ze gezegd, ‘voor je het weet raak jij weer met die vent over teen of tander aan de praat en dan staat die tent van ons tegen middernacht nóg niet’.
En gelijk hád ze, natuurlijk, maar dat liet onverlet dat ik toch slechts met tegenzin de regie uit handen gaf en zeker niet eerder dan dat de doorgewinterde kampeerder in mij haar nog enkele waardevolle adviezen op het hart had gedrukt.’

Verder lezen