Perpetuum mobile

“Misschien moeten we ermee stoppen.”
“Drie maanden is ook wel zo’n beetje de uiterste houdbaarheidsdatum van dit soort dingen.”
“Van vrijblijvende ‘we-zien-wel’-dingen bedoel je.”
“Ja.”
“Wat vind je er dan van, als we stoppen?”
“Prima.”
“Oké. Dat vind je prima?”
“Ja.”

“Maar dan ben ik toch nog nieuwsgierig hè. Wat vínd je eigenlijk van mij?”
“Ik vind je wel leuk.”
“Ik vind jou ook wel leuk. Maar ook… ráár.”
“Dat hoor ik vaker. Misschien ben ik raar, het interesseert me niet.”
“Maar als je me alleen maar ‘wel leuk’ vindt, hoe kunnen de afgelopen maanden dan zo bijzonder zijn geweest?”
“Je zegt net dat je mij ook ‘wel leuk’ vindt, dus waar gaat dit over? Ik vond het ook heel bijzonder. Maar meer niet. Ik heb toch meteen al gezegd dat ik niet verliefd op je ging worden.”
“Nou, ik ben ook niet verliefd op jou hoor.”
“Mooi zo.”
“Inderdaad.”

“Nou, dat was het dan. Het ga je goed.”
“Ja… hee… Gek om je niet meer te zien. Ik wil eigenlijk wel vrienden blijven.”
“Vrienden? Maar… ik weet niet hoor. Volgens mij is het voor mij in ieder geval beter om duidelijkheid te scheppen en elkaar een tijdje niet te zien.”
“Oké. Als jij dat wil. Ik ga je wel missen.”
“Hm.”
“Wat doe je vanavond?”

Als de rook om je hoofd is verdwenen

Stoppen met roken. Dat ga ik doen. Vanaf 1 juli. Ik ga wortelen, radijsjes, bleekselderij, kauwgom en lollies in huis halen voor moeilijke orale momenten. Ik ga hardlopen, zwemmen en ademhalen. Ik ga mijn plannen uitvoeren, in plaats van ze -onderwijl een sigaret rokend- bedénken. Ik ga mijn leven niet, ik herhaal níet, in rook op laten gaan. Ik ga mezelf interessant vinden terwijl ik aan een wortel knaag. Ook zonder een pakje peuken bij de hand kan ik lezen, schrijven, praten, drinken.

Peuken. Het woord alleen al. Heerlijk! De hele wereld, alles, álles!, zit in die ene sigaret, telkens weer - mits het een Lucky Strike is natuurlijk.

Hm, ik heb zo’n vermoeden dat het niet makkelijk gaat worden.

Oh, heerlijke kantoortaal

“Dus de actiepunten die uit deze meeting komen, houden we nog even onder de pet?”
“Ik weet het niet hoor. Je kunt ze nu wel parkeren, maar de top wil harde resultaten zien.”
“Je weet net zo goed als ik dat als we ze nu voorleggen, iedereen alsnog zijn plasje erover heen wil doen. Timing, alles draait hierbij om timing.”
“Oké. Maar kunnen we dan niet alvast wat laaghangend fruit presenteren?”

Waargebeurde vrijdagavondtaferelen

19.26, een Albert Heijn in Utrecht uitlopend, komt er een vrouw (trainingsjackje, rok, witte sokken in sandalen) op me af:
“Mevrouw, mevrouw! Heeft u een welpie gekregen?”
“Ja.”
“Mag ik ‘m hebben?”
“Ja, tuurlijk.”
“Wat voor kleur is-t-ie?”
“Volgens mij wit.”
“Oh, dan is ‘t goed.”
“Hier, alsjeblieft.”
“Bedankt hoor mevrouw.”
“Ja, graag gedaan.”
“Hee mevrouw.”
“Ja?”
“Mijn achterneef speelt vanavond voetbal.”
“Echt? Zit die in het Nederlands Elftal?”
“Nee.”
“Oh.”
“Hij is de trainer!”
“Marco van Basten, is dat je achterneef?”
“Ja, echt. Kijk, ik heb hier ook een button van ‘m op m’n jas.”
“Wat leuk. Nou, we hopen maar dat Oranje wint vanavond.”
“Ja mevrouw, sommige zijn voor de Fransen maar ik niet.”
“Nee, natuurlijk niet. Ik ook niet hoor. Ik ben voor Nederland.”
“Ja, ik ook. Ik ook! Marco, dat is mijn achterneef.”
“Ja, nou, veel plezier vanavond en duimen maar.”
“Ja ja! Dag mevrouw! Prettig weekend!”

20.06 inkomende sms:
Onthoud je wat Johan allemaal zegt tijdens de voorbeschouwing?

20.14 uitgaande sms:
We kunnen als we niet winnen gelijkspelen of verliezen – aldus JC

20.57, voor de teevee ergens in Utrecht:
“Dit is voor het eerst dat we samen voetbal kijken.”
“Nu je het zegt.”
“Leuk wel.”
“Ja.”
“Ik heb trouwens je teevee nog even afgestoft.”
“Dat meen je? Mijn zorgvuldig opgebouwde intellectuele imago in één veeg weg lieffie! Duurt weken voordat er weer zo’n laag stof op zit.”
“Sorry. Maar toch wel fijn dat we nu de wedstrijd kunnen zien.”
“Dat is waar.”

22.25, nog steeds voor de teevee ergens in Utrecht:
“Als mensen ons nu konden zien…”
“Hm-mmm.”
“Zoals we hier voetbal zitten te kijken.”
“Ja.”
“Jij in je pak en ik in pyjama.”

Het was een mooie avond.

Opadag

Als we aan komen lopen, zien we in de vensterbank een omgevallen plant liggen. Ik wil al zwaaien maar besef dan dat de stoel voor het raam, waar hij altijd in zit, leeg is. Verontrust turen we naar binnen en ontwaren op het bed in de achterkamer twee kousevoeten. “Hij ligt te slapen.” We hebben de sleutel. Als we de deur van de woonkamer opendoen, heft hij moeizaam zijn hoofd op. “Hallo”, zegt hij. “Hallo. Is het meisje er ook bij?” We pakken stoelen uit de voorkamer en zetten die om het bed.
“Ik kan niet meer overeindkomen, lopen gaat ook niet meer”, zegt mijn opa, die vorige week nog gewoon in zijn stoel voor het raam zat. Hij kreeg last van zijn rechterhand, die zo opgezwollen is dat hij hem niet meer kan gebruiken, en sindsdien is alles erger geworden. Ook zijn andere hand doet nu moeilijk en zijn benen willen niet meer. Hij heeft pijn, hij is afhankelijk van de thuiszorg, van mijn moeder, mijn tante, mijn nichtje… Zijn lichaam wil niet, maar met zijn hoofd is alles in orde. “Ik voel me rot”, zegt mijn opa en ik kan alleen maar antwoorden: “Het ís ook rot, oop.”
We helpen hem overeind, de stoel in die we naar het bed gerold hebben. In de keuken maakt mijn moeder vier koppen oploskoffie terwijl ik een appelgebakje in kleine stukjes snij. Hij geniet ervan, maar waar we vroeger altijd grapten dat opa zo’n gebakje in z’n holle kies stopte, omdat hij het doorgaans binnen dertig seconden of minder op had, brengt hij nu de kleine stukken traag en haperend naar zijn mond.
We aarzelen; moeten we aanbieden om hem te voeren? Voeren. Het woord alleen al doet pijn. Mijn opa. Die grote, grote man. Met zijn imponerende kop en zijn joekels van handen, waarmee hij alles kon maken wat zijn ogen zagen. Mijn opa, met zijn boten en caravans. Die in Noorwegen vissen aan de haak sloeg die bijna net zo groot waren als hijzelf. Mijn opa, voor niemand bang, eigengereid, even moeilijk soms als markant.

Verder lezen

‘Het zou een religie zonder geloof zijn’

Overal waar ik was, droeg ik u in mij mee. U kleurde mijn indrukken. Die waren droevig omdat u er niet bij was. Ik probeerde ze met al hun details in me op te slaan om ze haast in ruwe hartstocht naar u toe te brengen. Hebt u nooit de harstocht gevoeld waarmee ik ze voor u tot leven probeerde te wekken? Ik vergat u nooit met me mee te nemen, zodat u kon voelen wat ik voelde en niets van mij zou plaatsvinden zonder dat u erbij was: de zon die in mijn ogen scheen, de houding van mijn lichaam in een dans… (…) Met een succes was ik dolgelukkig, want ik kon het met u delen; een tegenslag werd onbeduidend, want ik kon u erover vertellen. Ik wilde meer ondernemen, steeds meer ondernemen, want dan kon ik u die aanwas van mijn rijkdom brengen.
#
En uw brief van vanmorgen was precies de brief die ik moest krijgen. Ik had af en toe de neiging om de pijn die ik voelde te vergeten; ik wilde hem ‘keren’; mijn liefde verzon listen om zichzelf te misleiden en, door welbewust de ogen te sluiten, genoegen te nemen met de gevoelsbanden die achter elke gebroken liefde aan slepen. Je blijft uitkijken naar een brief; tijdens een bezoekje hoop je een illusie van het verleden terug te vinden; je hart bonst als de deur opengaat; de handdruk roept dezelfde emotie op als vroeger de kus; een meegebrachte roos bewaar je zorgvuldig; een banaal compliment lijkt een uiting van nostalgie. Vervolgens wordt de betovering verbroken en weet je heel goed dat het allemaal bedrog is. Het zijn soepele lianen die zich vastgrijpen, je een vervlogen verleden binnentrekken en je de kracht om te handelen en te leven ontnemen.
#
Ik heb uw brief verfrommeld en dat voelde als een bevrijding. Met dat gebaar heb ik uw liefkozingen en de zompige modder van het verleden afgeschud. En ik constateerde dat ik strijdvaardig was, klaar om het leven dapper zonder u onder ogen te zien. (…) Maar waarom zou ik bij u blijven om de schijn op te houden van een leven dat er niet meer is? Het zou een religie zonder geloof zijn.

Uit: Commentaar – Marcelle Sauvageot

Dingen die eigenlijk niet kunnen maar het afgelopen etmaal wel gebeurden

* In de paar uur dat we op het terras zaten, telden we dertig kale mannen in en om het oudste café van Nijmegen. Misschien een bijeenkomst van een Geheim (doch in het oog springend) Genootschap?

* Ik pinkte een wrang traantje weg, nog steeds op het terras, bij het horen van Beppie Krafts ‘kom in mien erm’ en zong later in een vlaag van zelfverlies mee met het ‘Nijmeegs volkslied’ (waarvan ik de tekst dus blijk te kennen).

* Een oud-docente omschreef ik (na vier bier maar dat is geen excuus) als ‘iemand die eruitziet als een goedaardige tumor’.

* Mijn gezelschap bleek niet alleen Peter Koelewijns ‘KL204′ te kennen (wat me al voorkwam als een klein wonder) maar was er ook nog eens net zo lyrisch over als ik.

* Bij het wakker worden bleek op mijn rechterwijsvinger een nicotinevlek te zitten.

* In het zicht van ‘t hele park fietste ik met mijn dunne bandjes in een rooster, waarna ik omviel.

Kippenvel

Ze leerden mij luisteren naar Neil Young, Boudewijn de Groot, the Rolling Stones, Nina Simone, the Creedence Clearwater Revival, the Outsiders, Them, the Beatles en nog veel meer.
Nu zaten ze bij mij op de bank en vroegen: “Die Rufus van jou, laat daar eens wat van horen.”
Dus ik draaide Rufus. Ze vonden het een beetje vreemd maar toch wel mooi.
Daarna liet ik, op dreef gekomen, iets van Antony and the Johnsons horen.
Mijn moeder stak haar arm naar voren en zei: “Kijk eens, kippenvel.”
Mijn vader zei: “Dit vind ik heel bijzonder.”
Nadat Antony was uitgezongen, viel er een stilte.
“En laat nu eens iets van Leonard Cohen horen, daar ga je toch binnenkort naar toe?”, vroeg mijn moeder.
“Maar díe kennen jullie toch wel?”, zei ik.
Ze schudden hun hoofden, mijn ouders. “Op de een of andere manier hebben we die gemist”, zei mijn vader.
Ik zette eerst ‘Take this waltz’ op en daarna liet ik ‘Hallelujah’ horen.
“Erg mooi”, vonden ze beiden en ze vroegen zich af hoe Leonard Cohen toch al die jaren aan hun aandacht had kunnen onstnappen.
“Wacht eens, dan laat ik jullie Jeff Buckley’s versie van ‘Hallelujah’ horen.”
Niemand zei meer iets nadat de eerste tonen hadden geklonken.
Al luisterend keek ik strak naar het glas bier voor me.
Pas toen Buckley uitgezongen was, richtte ik mijn hoofd op en zag dat mijn ouders allebei tranen in hun ogen hadden.
“Dit is één van de mooiste dingen die ik ooit gehoord heb”, fluisterde mijn vader.
Om mijn ontroering te verbergen, stak ik nog maar een sigaret op en besefte dat de tijden van de ogenschijnlijk onoverbrugbare generatiekloof -toen mijn ouders verwonderd verzuchtten wat ik toch zo leuk vond aan ‘die herrie van Nirvana’- voorgoed voorbij zijn.