Life rears up it’s beautiful ugly head
De hele week was ik in de ban van het verhaal van Chris McCandless, aka Alexander Supertramp. Ik zag de film en las het boek. Ik schuimde het internet af, op zoek naar foto’s, filmpjes en alles wat maar met McCandless of de film te maken had.
Wat raakte me zo in het verhaal over deze hyperenergieke, charismatische, idealistische adolescent die niet alleen fysiek maar ook mentaal zijn grenzen verlegt en in zijn queeste naar de absolute vrijheid net iets te ver over de rand van de afgrond kijkt?
Begrippen als ‘amor fati’, ‘hybris’ en ‘het sublieme’ kwamen in me op, maar ik slaagde er rationeel niet in een en ander overtuigend met elkaar te verbinden. Terwijl ik toch onontkoombaar iets vóelde. Iets wat wezenlijk was, kwetsbaar en keihard tegelijk, groot en klein, ijzingwekkend en hartverwarmend. ’A compelling and ugly story’, zei een talkshowhost op youtube.
‘Het schitterende en het gruwelijke zijn kanten van dezelfde medaille; het leven heeft een Januskop’, schreef ik in mijn dagboek toen ik 19 was en net in de grote stad woonde. Om absoluut vrij te zijn, vond ik, moest ik oude banden verbreken -of het nu om mensen of materie ging- en me met huid en haar uitleveren aan de ervaring, aan het andere, het onbekende… kortom, aan het leven zelf. En daarmee misschien ook aan de dood.
Inmiddels kom ik dus in de buurt van het antwoord op de vraag wat me zo raakt in het verhaal van Chris McCandless zoals het verteld wordt in Into the Wild. Maar over dat antwoord ga ik niet verder uitweiden dan ik al heb gedaan.
Wat ik nog wél kwijt wil, is dat ik een man als Eddie Vedder wil.
Of Sean Penn.
Da’s ook goed.