Zo een dag

Het is zo’n dag waarop…

- de kater van zaterdag nog steeds niet is uitgewerkt (echt, ik rook en drink nóóit meer)
- het eigenlijk een griepje is waardoor ik me zo brak voel maar ik heb geen zin in een griepje
- er geen ontbijt in huis is
- het zo hard regent dat er grote bellen in de plassen opborrelen
- een collega bij de koffieautomaat aan me vraagt: “En, hoe is het met je allenige leven?”
- ik tijdens de lunch een aanlokkelijk uitziend frituursel op mijn bordje laadt waar bij nader inzien een laf, glibberig groenteprutje in blijkt te zitten
- er een haakje aan mijn beugel is ontsnapt, waar als ik praat mijn onderlip aan blijft hangen; ik weet nu hoe een snoekbaars zich moet voelen
- mijn rendez-vous met Nick Cave is afgezegd; op sommige dagen is het nu eenmaal beter om een zeer kleine actieradius te hanteren, vroeg naar bed te gaan en te hopen dat morgen alles anders is

‘De lucht rook naar gras’

In belangrijke mate ben je wat je je herinnert. Als je jezelf niet toestaat bij die herinneringen stil te staan, ze een plaats van betekenis te geven, ben je aan het verdwijnen, dan is dat de bezigheid die je leven is: je wordt alleen maar ouder, er blijft steeds minder tijd van leven over, je bent aan het weggaan.

(…)

‘Ik zat daar’, zeg ik. Ik wijs naar een appelboom. Goudrenetten. ‘Je had er een fauteuil neergezet. Je ging er nog een halen. De eerste zomeravond in dit huis, deze tuin. Het was ook de eerste dag van de zomer. Ik ging in de stoel zitten. En ik keek naar de hemel. Het was nog niet helemaal donker. De lucht rook naar gras en de warme dag die bijna voorbij was. Ik dronk wijn. Jij kwam met de andere stoel naar buiten. Op de zitting stond een witte doos, niet al te groot. Je zette de stoel neer en gaf me die doos. “Een cadeau”, zei je. “Voor ons.” Ik opende de doos. Er zat een kleine rode kat in. Misschien een week of tien oud. Het dier keek geschrokken, maar zag er toch niet uit of het echt bang was. “Hoe oud zou een kat worden?” zei je. “Een jaar of vijftien, zestien. Dan zijn we hier nog. Jij en ik, die kat misschien, oud. Met die tijd gaan we het doen.” Je kuste mij. Je kuste de kat op zijn neus.’

Uit: Onze dagen - Thomas Verbogt

Dag Ronald jongen

Ik dacht, ik weet niet wat ik dacht maar ik denk nu wat is dit ***.
- vrij naar
Joost Nuissl

Met aanvankelijk weinig bijgedachten reed ik aan het begin van de middag naar G. waar bolletje Ronald nog steeds op stal stond. Vorige week mailde ik wat foto’s rond en toen ging het snel. “Wij willen er graag in de meivakantie al mee weg!” Mijn omgeving reageerde verbaasd. “Wat? Ga je Ronald verkopen?” Maar ik wist het zeker. Loslaten is een kunst die ik steeds beter lijk te beheersen. “Alleen als je diep-, díepongelukkig wilt worden, ga je in je eentje op een stil, paradijselijk plekje zitten waar je ooit met z’n tweeën blij bent geweest.”

Zo gezegd bleek dus nog iets anders dan ‘effetjes’ gedaan. Zodra ik de weg naar de camping opreed, kneep verdriet mijn keel dicht bij het zien van de glooiende velden met op de achtergrond het altijd weer imponerende silhouet van het Reichswald; de prachtige omgeving waarin wij het voorrecht hadden een beetje thuis te komen. Toen ik vervolgens na een lange winter de deur van Ronald opengooide en hij me begroette met zijn authentieke caravanluchtje en aandoenlijke interieur, protesteerde mijn hart. ‘Dit ben ik’, dacht ik, maar tegelijkertijd wist ik dat ik er goed aan deed.

Gelukkig was ik niet helemaal alleen op het erf terwijl de nieuwe eigenaars kreetjes van verrukking slaakten en opgetogen kennismaakten met het caravannetje. Een glas ijskoud water stond al voor me klaar op de grote houten tafel. Ronald was nog niet uit zicht of daar kwamen de tranen. De oude hond, die vanaf zijn plekje in de schaduw het tafereel rustig had gadegeslagen, richtte zich op en kwam naar me toe. Hij legde zijn poot op mijn knie en keek me aan.
“Huilen is goed”, zei M. terwijl ze mijn glas nog eens volschonk.
“En weet je? Als je zin hebt om nog eens een weekendje te komen, dan kom je toch gewoon? Met een tentje of je huurt de stacaravan.” Ik lachte door mijn tranen heen.
“Niet alles hoeft voorbij te zijn”, voegde M. er nog aan toe en ik weet dat ze gelijk heeft.
Maar pijn doet het wel.

De kunstgebittenmaker

Nieuwsgierig keek ik op uit de Avantgarde. “Zijn het echte?”, vroeg ik aan de man met de vriendelijke bruine ogen die op de tafel een aantal gebitten had uitgestald met net-echte tanden maar tandvlees zo roze als glacé’s.
“Ja, het zijn echte kunstgebitten. Ik maak ze”, antwoordde de man.
“Het ziet er heel ambachtelijk uit”, zei ik.
Sommige gebitten zaten in een soort zwarte telescoopachtige apparaten vastgeklemd.
“Dat is het ook, alles maak ik met de hand.”
Het geheel maakte een ouderwetse, een verfrissend ouderwetse indruk, zowel de kunstgebitten als onze beleefde conversatie hierover.
Toen kwam de tandtechnicus binnen om de gebitten te beoordelen. Hij tilde ze op, draaide ze rond, hield ze tegen het licht en bekeek ze met half dichtgeknepen ogen.
“Hm, deze tand staat misschien nog iets te ver naar voren”, mompelde hij.
De vriendelijke man knikte. “Ja, je hebt gelijk.”
Het was even stil en ze keken beide naar het gebit met de licht vooruit stekende hoektand. Ik genoot van dit onverwachte, archaïsche tafereel op de vrijdagochtend.
“Hm. Ik zal het aanpassen. Ze heeft natuurlijk ook opgespoten lippen.”
Met een ferme klap landde ik in het jaar 2008.
Een kunstgebit en opgespoten lippen!
Ik bladerde verder in de Avantgarde en las dat het ambachtelijk liften van de oksels (want die gaan zo rimpelen als je de 30 bent gepasseerd)  helemaal in de mode is.

Flip the turtle

Misschien is het brein soms net een schildpad, bedacht ik vannacht in bed. Een kleine botsing kan genoeg zijn om hem op z’n rug te laten tuimelen en daar ligt ie dan: zich bewust van zijn hachelijke situatie, wanhopig om zich heen spartelend maar niet bij machte om zichzelf weer overeind te zetten.

Meer dan een tikje heeft hij niet nodig. Hup, flip the turtle en hij heeft weer vaste grond onder zijn voeten. Ik dacht: hoe fijn is het om mensen om je heen te hebben die die spartelende schildpad net op tijd dat tikje kunnen geven. En hoe fijn is het -misschien nog wel fijner- om dat op jouw beurt te kunnen doen bij iemand van wie je houdt.

De tijd doden

Mijn belangstelling voor juffrouw Gerlach was in de eerste plaats lichamelijk. Geestelijk hadden wij weinig raakpunten; ondanks de beknoptheid van onze gesprekken die zich meestal beperkten tot wat winkelpraat was dit inmiddels wel duidelijk geworden. Onze gesprekjes verliepen meestal wat onhandig en eindigden vaak in een klein misverstand. (…)
Op een keer waren wij te spreken gekomen over ‘hobby’s', hoe we erop kwamen ben ik vergeten. Ik heb geen hobby’s, zei ik, en ik wilde net van wal steken met mijn gedachten over hobby’s -namelijk dat alle hobby’s mij met weerzin vervulden, een walgelijk tijdverdrijf, een vorm van de tijd doden, daar waar de tijd dat zelf toch zeker makkelijk afkon, dat doden, me dunkt, hoe snel jakkerden de dagen niet voorbij, de tijd was eerder jou aan het doden en het was nergens voor nodig die slachtpartij van jouw kant nog eens een handje te helpen-, toen juffrouw Gerlach zei: Maar dan heb ik er een voor u! Eentje waar u heel veel plezier aan zult beleven!, en zij wees mij op een kalligrafeerpakket voor de beginner.

Uit: Juffrouw Gerlach – Aat Ceelen 
(uit de verhalenbundel Ivan en Rosa)

Even wennen nog

George Clooney heeft een vriendin die 1. meedeed aan Fear Factor en 2. won omdat ze een schorpien at! George Clooney!”
Riep ik hardop, mijn verbijstering delend met een leeg huis.
Ik schrok een beetje van mijn eigen stem.
De achterbuurman die op zijn balkon stond te roken, keek verbaasd op.
Ik lachte hem verontschuldigend toe.
Ik ben niet gek.
Het is gewoon nog even wennen.

‘I like to think about the life of wine’

Miles: What about you?
Maya: What about me?
Miles: I don’t know. Why are you into wine?
Maya: Oh I… I think I… I originally got in to wine through my ex-husband.
Miles: Ah.
Maya:  You know, he had this big, sort of show-off cellar, you know.
Miles: Right.
Maya: But then I discovered that I had a really sharp palate.
Miles: Uh-huh.
Maya: And the more I drank, the more I liked what it made me think about.
Miles: Like what?
Maya: Like what a fraud he was.
[Miles laughs softly]

Maya: No, I- I like to think about the life of wine.
Miles: Yeah.
Maya: How it’s a living thing. I like to think about what was going on the year the grapes were growing; how the sun was shining; if it rained. I like to think about all the people who tended and picked the grapes. And if it’s an old wine, how many of them must be dead by now. I like how wine continues to evolve, like if I opened a bottle of wine today it would taste different than if I’d opened it on any other day, because a bottle of wine is actually alive. And it’s constantly evolving and gaining complexity. That is, until it peaks, like your ’61. And then it begins its steady, inevitable decline.

Miles: Hmm.
Maya: And it tastes so fucking good.

Fragment uit: Sideways (2004)

Afscheid

We nemen afscheid.

Na voor de laatste keer de inmiddels welbekende tafelpoten, boekenkasten en fluwelen kussens de trap af te hebben gedragen. Hij verhuisde vier keer in de afgelopen 4,5 jaar, net als ik. De laatste keer dat we met boekenkasten en dozen sjouwden was drie maanden geleden, toen hij bij me introk.

Hij rijdt weg, zijn busje volgeladen, de stad uit. Ik blijf hier, alleen met Rufus die met zijn krachtige stem de lege kamers vult. Haven’t fallen down in a while... En ook nu val ik niet, ik sta. Rechtop en stevig.

4,5 jaar, 6 verschillende kamers en één etage… Gevuld met wondermooie momenten, gekmakende discussies, liefdevolle gebaren, slappe lachbuien, tranen, warme broodjes voor het ontbijt, muziek, verdwijdering, hereniging, poëzie, verdriet, frustratie, kinderlijke blijheid, aandacht, tomeloze energie, fnuikende lamlendigheid…

Ik weet heus dat ik het moeilijk ga krijgen, dat ik de goede dingen ga missen, maar nu voel ik me vooral dankbaar, dankbaar voor de afgelopen jaren, waarin ik zoveel heb geleerd, waarin ik weer leerde vertrouwen en liefhebben, waarin ik onafhankelijk mocht (en soms moest) zijn.

Ik voel me bedroefd en goed.