Ik was al wat aan de late kant, toen ik vanmorgen de NS-fietsenstalling binnen zoefde, dus reeds van afstand had ik middels driftig belgerinkel getracht de dienstdoend toezichthouder tot enige spoed te manen.
Zonder resultaat.
Trappelend van ongeduld moest ik gadeslaan hoe deze zich tergend langzaam van zijn met rafelig nepfluweel beklede bureaukruk verhief, twee onvaste passen zijwaarts deed, het deels glazen hokje waarin hij zich met zijn thermoskannetje leut plus kruiswoordraadsel had verschanst ontsloot, mij met afgemeten hoofdknik begroette en vervolgens met lodderige blik en doorrookte stem de Vraag der Vragen stelde: ‘Fietsje stallen?’
Die had ik even niet aan zien komen.
Natuurlijk had één enkele, vernietigende blik mijnerzijds volstaan om de brave borst zijn grenzenloze onnozelheid te doen inzien, maar ik achtte de kans dat ik terstond zou stikken in de stomheid waarmee hij mij met zijn onovertroffen imbeciliteit geslagen had té groot om van die mogelijkheid liever wijselijk af te zien.
‘Nee’, repliceerde ik in plaats daarvan subiet, ‘doe maar liever een Big Mac, twee kaartjes voor de opera en een fijn glas Witbier, liefst zonder citroen, en alleen wanneer het écht niet teveel gevraagd is ook graag een boterhamzakje met ijsklontjes alsmede een Stanleymes en een bandenwippertje want de wérkelijke reden van mijn aanwezigheid alhier is dat ik dolgaarne m’n nier zou doneren.’
En zo kaatste ik het door verbijstering ingegeven stilzwijgen vakkundig retour richting degene die daarvan, mijns inziens, zijn core-business zou moeten maken.
(U gelooft het waarschijnlijk niet maar soms sta ik er zélf van te kijken, zo makkelijk als het me afgaat om nieuwe vriendschappen te sluiten)
Verder lezen →