Kippensoep en griesmeelpap

Ik ging naar de supermarkt en kocht: 4 blikken kippensoep en 2 bakken griesmeelpap.

Vrijdagmiddag kreeg ik een beugel.
Een half etmaal later stond ik in de regen een sigaret te roken en wist dat het voorbij was.

Eten is lastig als je verdrietig bent.
Eten is lastig als je verdrietig bent en net een beugel aangemeten hebt gekregen.

Maar ik ging naar de supermarkt en kocht: 4 blikken kippensoep en 2 bakken griesmeelpap.
Want dit keer is het anders.

Niks grappigs aan

“Kijk, hij doet het gewoon niet. Hier. Tiktiktik. Niks. Hoe kan ik nou zo mijn loon invullen?”
“Hm. Moet dit nú?”
“Ja. Omdat het bijna 1 april is. Dan moet ie binnen zijn.”
“Oké. Doe eens fn numlock.”
“F hoeveel?”
“Nee, daar links, onder je shift.”

“Zie je, nog niks!”
“Vreemd.”
“Oh, ik haat dit zo.”
“Weet je zeker dat je in het juiste veld zit?”"
“Nou, ja. Nee.”
“En wat staat daar opzij dan?”
“Dat heb ik allemaal al ingevuld. Kijk: akkoord, akkoord… hophop. Het gaat best snel, als dit onderdeel het maar zou doen.”
“Maar eh, moet je niet eerst gewoon het vakje ‘loon’ aanvinken?”
“…”

Had u in 2007 recht op heel kleine witte paarden?*
Kon u in 2007 aanspraak maken op erg moeilijke voeten?
Woonde u in 2007 samen maar wist u dit niet?
Was er in 2007 sprake van verschillende soorten worst?
Kreeg u in 2007 een tuinkabouter in de schoot geworpen?
Kocht u in 2007 een flatscreen tv die nu tegenover de bank aan uw muur hangt?
Zong u in 2007 mee met Benny Neymans ‘Vrijgezel’?
Haalde u -nu we het er toch over hebben- in 2007 regelmatig uw eten uit de muur?
Verpersoonlijkte u in 2007 uw auto, uw laptop en uw kaasschaaf?
Kweekte u in 2007 één of meerdere komkommers?

* nee, nee, nee, ja, nee, nee, ja, nee, ja, ja

Sans gêne

In tegenstelling tot de meesten van mijn leeftijdgenootjes, die het optreden van hun ‘ouwelui’ doorgaans met verlegenheid en kromme tenen bezagen, heb ik mij in mijn jeugd eigenlijk nimmer voor mijn ouders geschaamd.
Dat klinkt u ongetwijfeld wat ongeloofwaardig in de oren want u meent waarschijnlijk dat íedere vader of moeder in die kleine twintig jaar dat je met ze zit opgescheept toch óóit wel eens met een actie of opmerking uit de hoek komt waarbij je als kind het door schaamte scharlakenrood gekleurde hoofd negentig graden afwendt en je ouders liefst luidkeels verloochent door te beweren dat je eigenlijk bent geadopteerd en dus werkelijk niets maar dan ook helemaal níets met die clowns te maken hebt. Genetisch gezien althans. (En dat laatste is van belang want het is zonneklaar dat juist in dát begrip het woord ‘gêne’ haar oorsprong vindt)

Maar nee dus. Geloofwaardig of niet: ‘dergelijk plaatsvervangend ongerief kan ik mij onmogelijk heugen’.
Dat ik die horlepiep ben ontsprongen kan gelegen liggen in het feit dat mijn liefdevol respect voor de twee Halfgoden die mijn opvoeding zo warm en doortastend ter hand namen simpelweg té groot was om -in hun nabijheid, of als respons op hun handelen- de optie ‘schaamte’ überhaupt ook maar te dúrven overwegen.
Bovendien bleek ik voor hun afkeer van kuddegeest alsook voor hun opvoedkundig adagium ‘Doe nou maar gek;  gewone mensen zijn er al genoeg’ uitzonderlijk vatbaar, waardoor vrijwel alles wat in positieve zin afweek van ‘doorsnee’ of ‘middelmaat’ als van nature mijn norm werd.
En wie eenmaal zover heen is wordt door nog maar weinig met schaamte vervuld. Zoveel moge duidelijk zijn.

Dit alles laat echter onverlet dat mijn vader mij tijdens mijn puberjaren met één ding wel dégelijk bij herhaling gevoelens van ongemak wist te bezorgen, en dat had alles te maken met zijn zaterdagmiddagritueel.

Verder lezen

In Memoriam: mijn schooljuf

Ik was al wat aan de late kant, toen ik vanmorgen de NS-fietsenstalling binnen zoefde, dus reeds van afstand had ik middels driftig belgerinkel getracht de dienstdoend toezichthouder tot enige spoed te manen.

Zonder resultaat.

Trappelend van ongeduld moest ik gadeslaan hoe deze zich tergend langzaam van zijn met rafelig nepfluweel beklede bureaukruk verhief, twee onvaste passen zijwaarts deed, het deels glazen hokje waarin hij zich met zijn thermoskannetje leut plus kruiswoordraadsel had verschanst ontsloot, mij met afgemeten hoofdknik begroette en vervolgens met lodderige blik en doorrookte stem de Vraag der Vragen stelde: ‘Fietsje stallen?’

Die had ik even niet aan zien komen.
Natuurlijk had één enkele, vernietigende blik mijnerzijds volstaan om de brave borst zijn grenzenloze onnozelheid te doen inzien, maar ik achtte de kans dat ik terstond zou stikken in de stomheid waarmee hij mij met zijn onovertroffen imbeciliteit geslagen had té groot om van die mogelijkheid liever wijselijk af te zien.

‘Nee’, repliceerde ik in plaats daarvan subiet, ‘doe maar liever een Big Mac, twee kaartjes voor de opera en een fijn glas Witbier, liefst zonder citroen, en alleen wanneer het écht niet teveel gevraagd is ook graag een boterhamzakje met ijsklontjes alsmede een Stanleymes en een bandenwippertje want de wérkelijke reden van mijn aanwezigheid alhier is dat ik dolgaarne m’n nier zou doneren.’

En zo kaatste ik het door verbijstering ingegeven stilzwijgen vakkundig retour richting degene die daarvan, mijns inziens, zijn core-business zou moeten maken.

(U gelooft het waarschijnlijk niet maar soms sta ik er zélf van te kijken, zo makkelijk als het me afgaat om nieuwe vriendschappen te sluiten)

Verder lezen