Naarden: ‘here I come!’
Ben er sinds kort bijkans weer 24/7 mee bezig.
Om u een bescheiden idee te geven:
Des morgens in alle vroegte begint het al, wanneer om 6:38 uur het wekkertje gaat: ik leg de kleine tiran het zwijgen op, staar enkele minuten in het duister om vervolgens mijn vriendin liefdevol in haar zij te porren en doe haar definitief ontwaken door zachtjes ‘Ich will hier bei dir stehen, verachte mich doch nicht’ in haar oor te neuriën.
Ondanks deze intentieverklaring verlaat ik echter vrijwel direct daarop de sponde, en uiteraard veracht Vriendin mij wel degelijk.
Zij weet dan namelijk al lang en exact hoe laat het is, begraaft haar hoofd onder het kussen en doet een vermetele doch vergeefse poging om -al was het maar kort- de slaap nog te vatten.
Om weer bij haar in de gunst te komen zet ik vast koffie, pers voor ons beiden een citrusvrucht en niet lang daarna, als ik me sta te scheren en zij met onverholen chagrijn achter mij het badkamertje binnen komt stiefelen begroet ik haar met een deemoedig en berouwvol ‘Ich bins, ich sollte büssen, an Händen und an Füssen, gebunden in der Höll.’
(Maar als ik soms dacht dat ze daar om lachen kon, nou, dan heb ik het dus mooi mis)
Terwijl ze zich met koffie en jus richting ontbijttafel beweegt daver ik als een tornado door de kamer; pak m’n tas, strik m’n strop, geef vriendin ten afscheid een klapzoen alsook een liefkozende tik tegen d’r bil, en zing haar daarbij uitbundig toe: ‘Ach, konnte meine Liebe dir, mein Heil, dein Zittern und dein Zagen, vermindern oder helfen tragen; wie gerne blieb ich hier!’
(Maar -ha!- dat kan natuurlijk helemaal niet want dan mis ik m’n trein!)
Ik spoed mij dra daarop de voordeur uit, bestijg mijn stalen ros en fiets de straat uit terwijl ik goedgemutst en zo hard als ik kan ‘Meine Seele ist betrübt bis an den Tod’ tussen mijn tanden fluit.
‘Mein Vater, ist’s möglich, so gehe dieser Kelch von mir; doch nicht wie ich will, sondern wie du willst’ zing ik vervolgens uit volle borst, als om uitdrukking te geven aan de gezonde weerzin waarmee ik de vóór mij liggende werkdag tegemoet zie.
Bij het fietsersstoplicht oogst ik enkele gefronste wenkbrauwen door mijn mede-wachtenden een hartgrondig ‘O Mensch bewein dein Sünde gross’ toe te voegen.
Enkele minuten later toont de beheerder van de NS-fietsenstalling zich niet minder verbouwereerd door mijn hartelijk ‘Gegrüsset seist du, Rabbi!’ onbeantwoord te laten.
Ternauwernood haal ik mijn trein, en ofschoon ik al wat aan de late kant ben kan níets mij er van weerhouden met mijn volle gewicht aan de noodrem te gaan hangen wanneer de laatste zin van nummertje 71 mij ter ore komt; uiteraard verzoek ik mijn medepassagiers vervolgens vriendelijk doch dwingend om een minuut Stilte.’
Ook op de werkvloer weet mijn begeestering mij niet te verlaten: de receptioniste die telefonisch laat weten dat mijn ‘bezoek’ is gearriveerd weet ik met een doeltreffende Petrus-imitatie af te wimpelen (’Ich kenne des Menschen nicht!!’, bulder ik haar toe) en ook de collega die in een vlaag van verbijstering en wanhoop amechtig verzucht dat al zijn pogingen om ‘de zaak’ de juiste richting in te trekken vergeefs en ijdel lijken troost ik adequaat met een plechtig en gedragen ‘Was mein Gott will, das g’scheh allzeit, Sein Will, der ist der beste’.
De ontevreden medewerker die mij na zijn dramatisch verlopen beoordelingsgesprek bits toebijt ‘jij denkt zeker dat je perfect bent?’ bied ik kordaat repliek met een afgemeten ‘Du sagest’s’, en tegen de avond laat ik de kassière van de AH tot in haar decolleté blozen door na het overhandigen van mijn bonuskaart spontaan een zinderend ‘Mache dich mein Herze rein’ ten beste te geven.
En des avonds, wanneer ik mijn moede hoofd in de veilige schoot van mijn vriendin te rusten leg, lispel ik nog slechts met mijn laatste kracht ’Nun ist der Herr zur Ruh gebracht’, gevolgd door een nauwelijks hoorbaar ‘Ruhe sanfte, sanfte ruhe!’.
Om vervolgens de lijdensweg van mijn Lieve Heertje in Dromenland tot in den treure te herbeleven….
Lang verhaal kort: voor mijn omgeving is het wellicht nog even wennen maar ík vind het fantástisch; ‘de komende veertig dagen den ganschen dag Bach’s onvolprezen MP onafgebroken op mijn MP3!’
4 februari 2008
:)
5 februari 2008
Fantastisch, mijn waarde! Uw geestdrift werkt bijzonder aanstekelijk; ik denk dat zelfs Alaska ontdooit wanneer ze dit leest. Wat een feest! :-)
(dat dhr. Jezus tussen nu en Pasen om Uwentwille zo’n kleine 500 keer aan het kruis gespijkerd wordt doet daar niets aan af, toch?)
5 februari 2008
gelukkig daar ben je weer,heb een maand op je nozzel moeten wachten.
maar goed werk kost tijd.
aufwiedersehn liesbeth.
20 februari 2008
Was het niet Jo Vincent die na een uitvoering verzuchtte: ‘zo, die hangt weer!’
2 maart 2008
De eerste keer dat ik je lees geloof ik. Eisenstark!
3 maart 2008
Beste heer Walski: ‘Wat een prachtig compliment’
Eenieder die hier per ongeluk op Nozzel aan komt waaien is het ongetwijfeld volkomen met u eens, doch te weinigen geven aan hun verrukking zó kordaat en puntig woord
enals u hier ten toon spreidt. Dank!Maar wat lees ik voorts: u leest mij slechts één keer en komt plotsklaps tot geloof? Kijk aan, Fantastisch! Wat de combinatie Oscar/Bach al niet vermag!
(Of interpreteer ik uw reactie nu wat ál te scherp door het bochtje? :))
3 maart 2008
PS: Excuus. Pas nadat ik de link klikte die naar uw webstek verwijst drong tot mij door dat ik mij beter tot ‘u’ dan tot ‘heer Walski’ had kunnen richten.
Tamelijk prachtig, zoals u uit zijn schulp kruipt…
(Evenwel: Breng meneer W. mijn hartelijke groet, indien u hem ooit nog eens per toeval naast u aan de toog treft)
6 maart 2008
Ach mijn mentor, ja. U bent niet de eerste die eerst oog heeft voor deze grootse man en daarna mij al dan niet ziet. U denkt ‘het geeft geen pas’, maar ik ben het gewoon. Bovendien vermag ik zeggen dat zijn overheersende aanwezigheid mij ook beschutting biedt. ‘Overheersend’ in fuurlijke zin dan wel, aangezien de schaduw van mijn lichaam de zijne geheel omvat.
Dank evenwel voor de attentie voor mijn persoon en ik breng uw welgemeende groet aan mijn mentor gaarne over.