Vannacht was ik op bezoek bij mijn oma en haar vriendinnen. Ze zaten rond een vierkante tafel met ieder een glaasje citroenbrandewijn voor zich in een verder lege zaal. Kijk, daar had je Bep, de stugge baardharen net als vroeger prominent op haar kin, en daarnaast de zachte Toos, die mij als kind met haar kleine, toegknepen koppie altijd aan een molletje deed denken. Stien was er, en Janna. En natuurlijk Jo, de enige die iets tegen me zei. “Jij hebt nú al grijze haren”, lachte ze, wijzend naar mijn kruin. Zelf zag ze er fantastisch uit, de donkere, volle haardos zonder een spoortje grijs, de lippen bescheiden gestift en de diepbruine ogen twinkelend van levenslust. Ik wilde L. wakker maken om hem aan haar voor te stellen. “Dit is nu tante Jo, die Poes voor mij heeft gemaakt.” Maar hij werd niet wakker en ik zette mijn gesprek met Jo voort. Ik vertelde haar dat Poes nog steeds op het logeerbed in mijn ouderlijk huis vertoeft. Dat Poes -opgetrokken uit rode wol en wonderlijk geproportioneerd- eigenlijk nooit weg is geweest. De twinkelende ogen van Jo verdwenen uit mijn blikveld en ik zag kans de ruimte, waar alleen groene en grijze tinten voorkwamen, beter te bekijken. Toen pas viel het me op dat ik de vriendinnen van mijn oma weliswaar zag, maar mijn oma zelf niet. Er borrelde een vleugje angst in me op. Ik maakte aanstalten om weg te gaan en verwijderde me van de vierkante tafel met de citroentjes-met-suiker erop. En toen, ineens, voelde ik waar mijn oma zat.
Maandelijks archief: januari 2008
Tinteling van weleer
‘Dansers, ook oud-dansers, bezitten het vermogen hun fysieke geheugen aan te spreken zelfs zonder een pas te zetten. In hun spieren is als het ware de herinnering opgeslagen aan het repertoire dat ze hebben opgebouwd. Dit verfijnd ontwikkelde neurologisch fenomeen, proprioceptie, spreekt zeer tot de verbeelding van de buitenstaander, maar zijzelf weten niet anders. Nureyevs danspartners van weleer dragen dus zijn erfenis met zich mee. Die schat openbaar maken, zou de ideale biografie van Nureyev opleveren. Over zijn danskunst. ‘Nureyev. The Art.’ Of gaat het daar niet om?’
Bovenstaand citaat is afkomstig uit een recensie die vrijdag j.l. in de boekenbijlage van de NRC verscheen, en waarin de biografie ‘Nureyev. The Life’ van de hand van Julie Kavanagh besproken werd.
Aangezien ik mij op dit weblog het afgelopen jaar meer dan eens als een newborn ballet-addict heb doen kennen, zal het u waarschijnlijk niet verbazen dat ik al enige tijd reikhalzend uitzag naar deze zoveelste (maar wat kan dát de ware liefhebber schelen?) levensbeschrijving van de Grootschte balletdanser van de vorige eeuw, dus ondanks het feit dat deze biografie niet louter op jubeltoon door de recensente werd onthaald zal ik onverwijld overgaan tot de aanschaf ervan.
Maar dat doet er nu even niet toe.
Waar het mij nu even om gaat is dat ene, wonderlijke begrip dat de critica in haar bespreking zo terloops bezigde: