M’n eigen bolletje

Ik moet wel gek zijn! Het verlangen naar een kleine kip caravan (een kuiken als het ware), een pipowagen, een walnoot-op-wieltjes om mee rond te rijden en in te slapen werd zo groot dat er gewoon eentje voor me gereserveerd staat te wezen ergens in Limburg. Zaterdag gaan we kijken en in geval van fris en technisch in orde (in advertentietermen: vakantieklaar) rijden we ermee terug naar huis! En ik wil niet alleen met mijn bolletje op vakantie, ik wil ‘m ook op een miniboerencampingplekje zetten, ergens in Groesbeek, of de Ooij, of Berg en Dal. Zodat ik daar buiten kan lezen en slapen op een dekentje. U merkt het, ont-zet-tend wilde plannen worden er gesmeed in mijn hoofd: een eigen caravan én een seizoensplek! Wilder moet het niet worden en gekker ook niet. Alhoewel, gisteren, in bad, wist ik opeens hoe het bolletje zal heten, mocht hij de mijne worden. Of ik er blij mee ben, laat ik wijselijk in het midden, maar er zit niets anders op: zijn naam is Ronald!

En wat zijn mijn ouders toch altijd weer de liefste van de wereld: ‘Dat ziet er goed uit. Vooral met de voortent. We zouden er bijna zelf ook eentje kopen! Gefeliciteerd met je “Ronald”.’

Medley

(5 juli, Groningen-stad)
“Oh nee, oh nee!”
“Oeps. Daar gaat ie.”
“Oh God, oh nee. Wat erg. Wat érg!”
“Nina. Nina lieverd, hallo. Hallo. Gaat het? Blijf bij me, let op de weg.”
“Voelde je dat? Krttrtogrt. Alsof hij door de gehaktmolen werd gedraaid. Grrrrrottkrt! Ik vóelde het gewoon!”
“Ik zag in de achteruitkijkspiegel nog een hoop veertjes opwaaien. Echt, hij was op slag dood. Niet geleden, dat beestje.”
“Pfff. Ik heb nog nooit een vogel overreden. En het was ook nog een merel!”
“Je deed het heel goed, door zo door te rijden. Remmen was levensgevaarlijk.”
“Ja. ja. Denk je écht dat hij niet geleden heeft?”
“Nee, zet het nou maar van je af lieffie.”
“Ja.”
“Misschien zit er wel een Nozzel in.”
“Dat we naar Rufus gingen en in Groningen een merel doodreden?”

(5 juli, ter hoogte van Ulrum)
“Had ie nou Zweedse klompen aan?”
“Sorry lieverd, ik heb een half uur de hand van Rufus staan schudden, een filmpje van ‘m gemaakt en geluisterd naar de gesprekken die hij met z’n fans voerde, waarbij ik voortdurend aan je dacht en niet kon geloven dat je er niet bij was, ik heb élk woord en élke gezichtsuitdrukking van de goede man onthouden omdat ik wist dat je alles zou willen weten maar sorry, nee, IK HEB NIET GEZIEN OF HIJ ZWEEDSE KLOMPEN AAN HAD!”

(6 juli, Warfhuizen)
“Mogge lieffie.”
“Goeiemorgen.”
“Ben je blij?”
“Ja. Ik was aan het fantaseren over wat ik tegen Rufus gezegd zou hebben als ik hem gisterenavond langer dan 1,83452 seconden had gezien.”

(6 juli, Aduard)
“Wat een slagregens. En mooi ook hoe je in de verte de volgende bui alweer aan ziet komen.”
“Rufus zal wel nooit hier komen, op dit Groningse hogeland.”
“Nee, dat lijkt me niet.”
“Stel je voor dat hij wél hier was en naar het kloostermuseum ging.”
“Laten we vooral de moed erin houden lieverd en ons geen nare dingen in het hoofd halen.”
“Dus het kloostermuseum was voor jou ook anders dan je je had voorgesteld?”
“Dat kun je wel stellen.”
“Ik persoonlijk was nogal teleurgesteld over het feit dat er geen klooster was.”
“Voor mij had er íets meer nadruk op het kloosterleven mogen liggen, en iets minder op maquettes opgetrokken uit eierdozen en ouwe hond.”

(9 juli, Nijmegen)
Ik sta bij de kassa in de H&M en opeens dringt tot me door: Rufus! Between my legs! Ik lach naar de jongen (19) achter de kassa en zeg: “Jullie draaien Rufus Wainwright.” Hij kijkt me nieuwsgierig aan. “Ken je dit?” Ik knik. “Dit is Rufus Wainwright.” Hij vraagt me de naam van ‘hun’ nog eens te herhalen. “Nee, ken ik echt niet”, zegt de jongen. “Niemand hier kende het. Wij vonden het nogal vaag. Beetje raar. Zal wel iets Zweeds zijn, zeiden we tegen elkaar.” Even helemaal de draad kwijt, herhaal ik: “Zweeds?” “Ja, H&M weetjewel. We krijgen onze muziek van het hoofdkantoor in Zweden.” Ik lach en vertel dat Rufus in New York woont en dat hij afgelopen donderdag in Groningen optrad en dat het uitverkocht was en bovenal geweldig. De jongen houdt zijn hoofd wat schuin en knikt. “Okay okay, cool.” Als een tevreden missionaris loop ik naar buiten en verstuur even later een sms: ‘Het zouden echt wel eens Zweedse klompen geweest kunnen zijn!’
 

Agendawanbeheer -slash- secretaresse (V/V) gezocht

Sinds enkele weken staat er met dikke letters in mijn agenda bij 5 juli 2007: ‘Groningen – 20:30 uur – ‘Rufus’.

Onderstreept nog wel, dus het móet haast wel iets belangrijks wezen.

De grap is echter: ‘Ik kén helegaar geen Rufus!’

Ik zóu morgenavond dus net zo goed gewoon thuis in Utrecht op de bank kunnen blijven zitten wachten tot die Rufus opbelt zo van ‘Ja hé sukkel ik dacht dat wij een afspraak hadden, ik sta hier al minstens een uur en waar blijf je nou?!’, waarop ik dan iets zou mompelen als ‘shit man sorry!!, helemaal vergeten (gékkenhuis hier!), ergens volgende week tijd voor een nieuwe afspraak?’

Ja ,dat zóu ik kunnen doen….

Maar ik denk dat ik morgen voor de zekerheid tóch maar naar Groningen afreis.
Net zo spannend, eigenlijk.
Kom ik er tegen half negen waarschijnlijk vanzelf wel achter wat die knakker van me moet….

Onredelijk

Het weekend kwam wat traag op gang, vanmorgen.
Ik zelf trouwens ook.
Kon iets van doen hebben met oververmoeidheid mijnerzijds. Of met een na-kater van donderdagavond (Tsjees wat was dat weer ouderwets lachen zeg, donderdagavond! En wat hádden we een dorst.)
Of gewoon door het sombere weer.

‘Luie schommelstoel, stapel boeken - pot thee -rol Mariakaakjes binnen handbereik, Mozart’s fagotconcert op de achtergrond’ leken mij ideale condities om het weekend plezierig kabbelend aan me voorbij te zien glijden.

Helaas dacht m’n vriendin daar anders over: ‘Wat zullen we vandaag eens gaan dóen?’
Ik veinsde enige hardhorendheid maar daar kwam ik helaas niet mee weg.
‘Hé Professor. Wat zullen we vandaag eens gaan dóe-hóen?!’

Ik legde m’n boek terzijde en plooide m’n gelaat in de piekerstand.
‘Nou’, begon ik, en liet een korte stilte vallen om de spanning wat op te voeren: ‘we zóuden vandaag natuurlijk kunnen gaan schaatsen op de Oude Gracht. Of een kerstboom kunnen kopen en optuigen. Of we nemen deel aan een Whalewatch voor de kust van Nieuw Zeeland. En mocht je daar geen zin in hebben dan kunnen we vanmiddag natuurlijk ook bij Maxima en Willem Alexander op de thee. Of we bezoeken een concert van Elvis Presley. Of de bioscoop, voor mijn part: Titanic deel III, of we trekken onze robuuste stappers aan en maken een stevige ruimtewande….’

M’n vriendin liet zich terugvallen in het pluche van de bank en rolde met haar ogen, onderwijl amechtig zuchtend. ’Laat maar. Aan jou heb ik ook niks!’

(Ja, eh… sorry hoor!, denk ik dan. Dan níet hoor.  Even goeie vrienden maar vraag míj dan niks en bedenk zélf wat leuks.

‘Vróuwen….!’

Want echt: ‘Luie schommelstoel, stapel boeken - pot thee -rol Mariakaakjes binnen handbereik, Mozart’s fagotconcert op de achtergrond’ lijken mij nou eenmaal de ideale omstandigheden om het weekend plezierig kabbelend aan me voorbij te zien glijden)

I’m so happy ’cause today…

… fietsten we heel hard achter de tourbus aan, waarin Eddie Vedder zat. Mensen stonden nog te klappen op het veld en voordat onze voeten überhaupt de trappers konden vinden om naar huis te peddelen, draaide een grote zwarte bus de weg op. Ik riep: “Daar gaan ze! Dat zijn ze!” Waarna we probeerden naast de bus te komen en ik met mijn Hema-fietslichtjes-in-knipperstand de aandacht trachtte te trekken. Op de Hatertseweg draaiden ze naar rechts. Wij moesten naar links. Op het kruispunt keek ik de zwarte bus na. “Dichter bij Eddie Vedder zal ik wel nooit meer komen”, zuchtte ik en werd hartelijk uitgelachen door mijn gezelschap.

Op de fiets spraken we nog even over nostalgie, Seattle en dat soort dingen. Denkend aan wat dan van déze tijd is, van nu, nu, nu, fluisterde ik: “Volgende week zit ik bij Rufus!”

Ik toog naar de coöp

Om tien over zes toog ik naar de coöp. Ik passeerde op het bankje voor het terras de dronken meneer met de vissenogen; ik dwong mezelf hem aan te kijken en te glimlachen terwijl ik weet dat hij nooit terug lacht. Doet ie niet aan; hij neemt gewoon nog een slok van zijn halve liter terwijl hij je van top tot teen kritisch monstert.
Toch weer enigszins ontmoedigd liep ik verder, langs het terras, waar een meisje zat dat ik vaag ken. “Hee”, zei ze. “Alles goed?” Ik zei: “Hee. Ja. En met jou?” En wilde eigenlijk doorlopen maar dat lukte niet goed. Dus bleef ik staan, mijn rieten boodschappentasje lullig heen en weer slingerend van de ene naar de andere hand. “”Goed, ik heb vakantie”, vertelde ze. “Lekker”, antwoordde ik. ”Voor mij duurt dat nog even.” Ik wilde graag door maar voelde dat dat nog niet kon, met goed fatsoen. “Ach, ik werk nog wel 43 uur in de week hoor”, relativeerde ze. Ik werd als het ware wakker. “Je werkt 43 uur?” “Ja”, antwoordde ze, opvallend monter voor iemand met een 43-urige werkweek. Vervolgens zette ze uiteen hoeveel uur ze waar werkte. “Maar ik hoef even niet te studeren.” Ik knikte. “Ja, dus heb je toch vakantie”, anticipeerde ik. “Ja! Ik hoef verder niet na te denken, alleen te werken, en om vijf uur ben ik vrij om te doen wat ik wil.” Na nog wat gedachten over het weer te hebben gewisseld, op onhandige wijze (ik: “Nou, haha, daar komt een schip met zure appelen aan!” Zij: “Wat?”) vervolgde ik peinzend mijn weg (nog 3 meter ongeveer) naar de coöp.
Ik werk 32 uur en ben, zoals ik eerder op de middag aan een goede vriend vertelde - die u, beste lezer, trouwens eveneens welbekend is-, daar bij tijd en wijle héél moe van. Maar mijn baan is dan ook tamelijk veeleisend, zoals ik zelf ooit enthousiast in mijn sollicitatiebrief aangaf: ‘uw vacature spreekt mij aan omdat deze mij veelzijdig én veeleisend voorkomt’.
Aan mijn overdenkingen kwam abrupt een einde toen mijn oog viel op een bord dat voor de ingang van de coöp stond. ’Bio-boer Geil’, las ik maar na tweede lezing bleek dit bio-boer Giel te zijn, die zijn biologische waar had uitgestald en de supermarktbezoeker een unieke aanbieding deed. Het biogroentepakketabonnement, nu ook verkrijgbaar bij úw coöp. Terwijl ik een mandje pakte, hoorde ik bio-boer Giel tegen een dame van middelbare leeftijd zeggen: “Echt, moet je doen joh.”
Voor ik verder nog enige gedachten kon verspillen aan Giel en zijn biologische penen, werd ik alweer in beslag genomen door iets anders, namelijk de muziek. Zoals u wellicht weet, staat de coöp die ik frequenteer bekend (althans bij mij) om zijn muziekkeuze. Circus Custers’ ‘Monica’ had ik echter nog niet eerder gehoord en ik hoop van ganser harte dat ik het ook nooit meer zal horen. Toch, het beeld van ‘Circus Custers-mannen’ -kalend, met vale t-shirts onder kleurige colberts waarvan de mouwen opgestroopt zijn en sportschoenen onder een zakkige bandplooibroek-, liet me niet meer los.
Om mijn zinnen te verzetten concentreerde ik me op de ingrediënten die ik nodig had voor de ‘macaroni and cheese’ die ik van plan was te maken en wierp en passant nog een pak blauw-witte huishouddoekjes in mijn mandje, van dezelfde soort als die mijn oma vroeger altijd op de camping gebruikte. Toen ik de coöp verliet, was de lucht donker en net voor ik de sleutel in het slot van mijn voordeur stak, begon het te regenen.  

Grandchildren on y’r knee

‘k Vind het zelf ook merkwaardig, dat ik als ik thuiskom meteen de nieuwe cd van Paul McCartney ‘Memory almost full’ opzet. Het is niet iets waar ik me nu direct voor schaam, maar aan de grote klok hangen doe ik het ook niet. Dat John Lennon en George Harrison (favoriete meezinger: ‘All things must pass, all things must pa-aaaass away…’) regelmatig in de cd-speler zijn te vinden, ja… Maar Paul McCartney? Op mijn achtste kon hij me weliswaar zeer bekoren met liedjes als ‘Pipes of peace’, dat ik als kind zó mooi vond dat ik er bijna van moest huilen. (Nee! Doe het niet! Niet terugluisteren! Het kan écht niet meer! Dat kinderkoor! En die…  dóedelzakken?!) Maar nadat ik voor het eerst ‘Mull of Kintyre’ had gehoord én gezien (een videoclipje waarin Paul al gitaarspelend met rubber laarzen door de Schotse modder loopt te playbacken met die verdomde molen en wat schapen op de achtergrond) was het voorbij.

Toen ik enkele jaren later de Beatles ontdekte, kon ik niet anders dan John en George het leukst vinden, en zelfs Ringo was cooler! Paul was namelijk zo’n beetje het toppunt van suf. De enkeling die je tegenkwam die zei dat ie fan (het waren immers de ‘fandagen’, zo midden jaren ’80) was van Paul McCartney viel ongeveer in dezelfde categorie als mensen (lees: 12-, 13-jarigen) die zeiden fan te zijn van BZN. (Die waren er. Echt!)

Maar nu luister ik dus wel. En besef ik dat hij er sinds mijn achtste eigenlijk altijd geweest is, die stem, hij was overal bij. In de auto misselijk hangend op de achterbank, tussen de middag op de radio, op de gele Sony-walkman die ik op mijn elfde van mijn ouders kreeg, op het afscheidskamp van de lagere school waar we het Beatles-cassettebandje van meester Jan stuk draaiden, als ik huiswerk maakte, als ik las, als ik wakker werd, als ik moest studeren of schrijven, met wijn en sigaretten, bij liefde, vriendschap en pijn.

24 jaar na ‘Pipes of peace’ luister ik naar de nieuwe cd van Paul McCartney, met het wondermooie ‘You tell me’ en ‘End of the end’. En ik kan alleen maar denken dat dit thuiskomen is; bij die stem, die liedjes, de ogenschijnlijke simpelheid van alles.

For good old time’s sake

Onze meeste ontmoetingen verlopen vliegensvlug.
Sterker nog: van een echte ontmoeting is meestal nauwelijks sprake.
Vaak beperkt ‘t zich tot slechts een begroeting.

Dan draaien m’n pedalen mij ‘s morgens in alle vroegte richting m’n werk als plots aan de overzijde van de straat een hand de lucht in gaat. En nog voor ik die passerende fietser goed en wel herken, of me zelfs maar realiseer dat dit joviale gebaar wel degelijk aan míj is geadresseerd, hoor ik: ‘Hey Oscar!

Snel gooi ik dan ten teken van herkenning en als antwoord mijn hoofd in m’n nek en roep boven het gebulder van voorbijrazende auto’s uit: ‘Hey Frank!

Soms schreeuw ik ook nog: ‘Alles goed?‘, en als ik dan snel genoeg over mijn schouder blik krijg ik als antwoord een opgestoken duim, en zie nog net hoe Frank’s schim al weer oplost in het immer drukke stadsverkeer.

En dat is het.
Meer niet.

Dat lijkt wat kort en kil, maar ik kan u zeggen: ‘op dergelijke ontmoetingen teer ik minstens een dag’.

Verder lezen

Monologue Intérieur

(…)
‘..test..’
‘..test.., Test..’

(testingtestingonetwoonetwotestingtesting)

Hmm.
‘Test, Test, TEST!’

-’Zeg!’
-’Tes.., sorry zei je wat?’
-’Ja, of je even kan kappen met die ongein, of anders in ieder geval de goedheid op wil brengen mij te verklappen waar al die drukte in vredesnaam toe dient.’
-’Oh, ik ben eigenlijk alleen maar het één en ander ..’
-’..’aan het testen’, zeker? Dat zie ik, Einstein, maar waartóe.’
-’Nou gewoon, even controleren of alles het nog doet. ‘k was hier al een tijdje niet meer geweest. Vandaar.’

cursief           (test)     oke!
vet                 (test)    dito!
doorstreept  (test)     uit de kunst!

-Het líjkt allemaal in orde.

Nog even de ‘lees verder-functie’ checken:

Verder lezen

Waar de tijd blijft

Fysiek gesproken voel ik mij meestentijds lekker als kip.

Ik ben met u eens: het is een voorrecht om dat te kunnen stellen.

Welbeschouwd word ik eigenlijk nooit geplaagd door pijntjes, kwalen of lichamelijke ongemakken die een sappige Nozzel zouden rechtvaardigen.
Dat is wellicht wat saai voor u, maar mij zult u daar niet over horen klagen.

Ook psychisch gaat het me eigenlijk best wel voor de wind: zelfs de uitwassen van mijn immer gierende hypomanie springen doorgaans niet dusdanig in het oog dat ze aanleiding geven tot een smeuïg stukje te uwer vermaeck.
Bovendien ben ik er de man niet naar om te koketteren met mijn gebreken of tekortkomingen, dus u had daar sowieso naar kunnen fluiten.

Dat ik mijn medisch dossier niet te pas en te onpas in de openbaarheid mieter zou bij de onwetende lezer echter het beeld op kunnen roepen als zou ik een op alle fronten volstrekt uitgebalanceerde persoonlijkheid zijn: ‘fysiek een halfgod, mentaal een gigant’.

Hoewel dat inderdaad niet ver bezijden de waarheid is ben ik eenvoudigweg te bescheiden om bij dat beeld niet ook een kanttekening te plaatsen.
Ter nuancering wil ik u bij hoge uitzondering namelijk best verklappen: ‘ook ik ben behept met een raar soort tic’.

Verder lezen

Fijne gesprekken voor bij het wakker worden

“Dag, met Nina uit Nijmegen. Spreek ik met de Internetbestelshop?”
“Nee! Nee hoor.”
“Oh. Maar als ik zoek op internet kom ik via de Kamer van Koophandel
bij u uit.”
“Nee. Ja. Dat komt, die is verhuisd.”
“Oké. Maar toch raar dat uw gegevens dan helemaal overeenkomen met
die van de Internetbestelshop.”
“Nou, eerst zat ie hier hè. Maar nu is-t-ie verhuisd.”
“Heeft u dan misschien het telefoonnummer?”
“Nee.”
“Dan houdt het op.”
“Ik… gaat het over een bestelling die nog niet geleverd is?”
“Ja. Een maand geleden heb ik iets besteld en al drie keer gemaild
en per ongeluk twee keer betaald en ik hoor maar niets van ze.”
“Ach, ja, nou, toevallig… eh… weet ik dat hij deze week weer een grote
levering binnen krijgt. Dus uw bestelling zal er wel snel aankomen.”
“Dan wacht ik maar even af. Bedankt voor de heldere informatie meneer.”
“Graag gedaan mevrouw.”

Dialogen: een greep uit het leven

“Ik lees dat boek over Spanje van Sees. of Kees. Ik weet nooit hoe je het uitspreekt.”
“Aha, je bedoelt Cízzle! Cees is de shizzl.”
“Cizzel Nootebizzel.”

“Asteroïde B612, klinkt als iets uit Suske en Wiske.”
“Vroeger kwam ik daar met m’n ouders altijd langs.”
“Is die asteroïde daar ook ingeslagen? Is er een krater bij?”
“Weet ik niet meer. Het kan. Ik heb een slecht geheugen zoals je weet.”
“Asteroïde bee-zes-twaalf… spannend!”
“Dat bospad links, daar moeten we in.”

“Hoi. Is hier een asteroïde?”
“Pardon?”
“Een asteroïde?”
“Nee meneer, dit is een jeugdhonk.”
“Oh. Ik dacht dat hier een asteroïde was.”
“Nee, sorry. Wij heten ‘Asteroïde B612′. Dit is voor de kinderen om te spelen. Zoals u ziet.”
“Is hier in de buurt dan ergens anders een grote steen?”
“Niet dat wij weten, meneer.”
“Oké. Dan gaan we weer. Bedankt, ik was zeker in de war met de hunebedden.”
“…”

“Er moet nog één dialoog bij.”
“Tja, die zal dan toch over poep moeten gaan.”
“Ik doe liever iets met je schnitzels.”

Voorzichtig Vraagje

Dat ik tot op heden geen telefoontje heb ontvangen
  en ook geen briefje op m’n kokosmat trof
Geen burgemeester of commissaris van de Koningin aan de deur heb gehad
  en m’n naam in geen enkel krantenoverzicht te lezen viel:

Wil dat nou zeggen dat dat lintje ook dit jaar weer aan m’n neus voorbij is gegaan?

Ja, nou ja.
Dacht ik ook eigenlijk al…

Maar ergens blíjf je stiekem hopen hè?

Ladies and gentlemen: ‘Elvis has re-entered the building’

Lange tijd (and I’m almost ashamed that I’m not ashamed to admit it) koesterde ik de rotsvaste overtuiging dat ‘Elvis’ in dit leven het Hoogst Haalbare was.
En met ‘Elvis’ heb ik het uiteraard niet over Costello of mijn tamme Krokodil, maar over niemand minder dan ‘The King’.

‘Elvis Aaron Presley’, de arbeiderszoon uit Tupelo, Mississippi, die in de 42 jaar die hem in dit ondermaanse gegeven was het landschap der populaire muziek drastisch herschiep, de in de jaren ’50 voorzichtig opkomende jeugdcultuur een stevige impuls gaf, en de begrippen ‘massahysterie’ en ‘afgoderij’ en passent van tot dan toe ongekende betekenis en inhoud voorzag.

Dat ik deze Blanke-Sterveling-Met-De-Zwarte-Stem ongegeneerd een godenstatus toekende had geen andere reden dan dat ik me domweg niet kon vóórstellen dat een vrouw ongevoelig kon zijn voor de ijskapsmeltende charmes van deze heupwiegende rasartiest, en nog minder kon ik mij inbeelden dat er manmensen rondliepen die niet heimelijk een exacte kopie van Elvis zouden willen zijn.

Verheerlijking van Elvis leek mij dientengevolge een goed verdedigbare raison d’etre, als het al niet zou mogen gelden als afdoend antwoord op de prangende vraag naar de Zin van ons bestaan.
Verder lezen