(5 juli, Groningen-stad)
“Oh nee, oh nee!”
“Oeps. Daar gaat ie.”
“Oh God, oh nee. Wat erg. Wat érg!”
“Nina. Nina lieverd, hallo. Hallo. Gaat het? Blijf bij me, let op de weg.”
“Voelde je dat? Krttrtogrt. Alsof hij door de gehaktmolen werd gedraaid. Grrrrrottkrt! Ik vóelde het gewoon!”
“Ik zag in de achteruitkijkspiegel nog een hoop veertjes opwaaien. Echt, hij was op slag dood. Niet geleden, dat beestje.”
“Pfff. Ik heb nog nooit een vogel overreden. En het was ook nog een merel!”
“Je deed het heel goed, door zo door te rijden. Remmen was levensgevaarlijk.”
“Ja. ja. Denk je écht dat hij niet geleden heeft?”
“Nee, zet het nou maar van je af lieffie.”
“Ja.”
“Misschien zit er wel een Nozzel in.”
“Dat we naar Rufus gingen en in Groningen een merel doodreden?”
(5 juli, ter hoogte van Ulrum)
“Had ie nou Zweedse klompen aan?”
“Sorry lieverd, ik heb een half uur de hand van Rufus staan schudden, een filmpje van ‘m gemaakt en geluisterd naar de gesprekken die hij met z’n fans voerde, waarbij ik voortdurend aan je dacht en niet kon geloven dat je er niet bij was, ik heb élk woord en élke gezichtsuitdrukking van de goede man onthouden omdat ik wist dat je alles zou willen weten maar sorry, nee, IK HEB NIET GEZIEN OF HIJ ZWEEDSE KLOMPEN AAN HAD!”
(6 juli, Warfhuizen)
“Mogge lieffie.”
“Goeiemorgen.”
“Ben je blij?”
“Ja. Ik was aan het fantaseren over wat ik tegen Rufus gezegd zou hebben als ik hem gisterenavond langer dan 1,83452 seconden had gezien.”
(6 juli, Aduard)
“Wat een slagregens. En mooi ook hoe je in de verte de volgende bui alweer aan ziet komen.”
“Rufus zal wel nooit hier komen, op dit Groningse hogeland.”
“Nee, dat lijkt me niet.”
“Stel je voor dat hij wél hier was en naar het kloostermuseum ging.”
“Laten we vooral de moed erin houden lieverd en ons geen nare dingen in het hoofd halen.”
“Dus het kloostermuseum was voor jou ook anders dan je je had voorgesteld?”
“Dat kun je wel stellen.”
“Ik persoonlijk was nogal teleurgesteld over het feit dat er geen klooster was.”
“Voor mij had er íets meer nadruk op het kloosterleven mogen liggen, en iets minder op maquettes opgetrokken uit eierdozen en ouwe hond.”
(9 juli, Nijmegen)
Ik sta bij de kassa in de H&M en opeens dringt tot me door: Rufus! Between my legs! Ik lach naar de jongen (19) achter de kassa en zeg: “Jullie draaien Rufus Wainwright.” Hij kijkt me nieuwsgierig aan. “Ken je dit?” Ik knik. “Dit is Rufus Wainwright.” Hij vraagt me de naam van ‘hun’ nog eens te herhalen. “Nee, ken ik echt niet”, zegt de jongen. “Niemand hier kende het. Wij vonden het nogal vaag. Beetje raar. Zal wel iets Zweeds zijn, zeiden we tegen elkaar.” Even helemaal de draad kwijt, herhaal ik: “Zweeds?” “Ja, H&M weetjewel. We krijgen onze muziek van het hoofdkantoor in Zweden.” Ik lach en vertel dat Rufus in New York woont en dat hij afgelopen donderdag in Groningen optrad en dat het uitverkocht was en bovenal geweldig. De jongen houdt zijn hoofd wat schuin en knikt. “Okay okay, cool.” Als een tevreden missionaris loop ik naar buiten en verstuur even later een sms: ‘Het zouden echt wel eens Zweedse klompen geweest kunnen zijn!’