… om naar een filosofisch café te gaan met als thema ‘ouder worden’ en je tussen het grijze publiek weer eens heerlijk jong te voelen, onderwijl ernstig meeknikkend zeker, ouder worden moet je accepteren etc.
Jaarlijks archief: 2007
Niet slapend denk ik aan Deesje
Het was drie uur ‘s nachts. Ik lag in bed, na op de vensterbank vijf sigaretten te hebben gerookt en een wildplasser te hebben verjaagd, en ik kon nog steeds niet in slaap komen. Of het nu de volle maan was, of mijn eigen gemoed, het maakte me ook niets uit: viel ik maar in slaap! Ik telde schapen, maar die haalden zoveel rare capriolen uit (ze maakten salto’s, eentje zat op een skippybal en een ander vloog over het hek in een ouderwets open vliegtuig met een leren vliegenierspet op waar z’n oren wapperend uitstaken) dat de slaap verder weg leek dan ooit. Ik telde terug van 100 naar 0 en nog een keer maar ook dat mocht niet baten. Ik besloot het in slaap willen vallen maar te laten varen. Oké, het was half vier en ik had nog geen oog dicht gedaan, maar het kon me niet meer schelen. In plaats van proberen te slapen, ging ik een kinderboek bedenken. Ja! Het zou over een klein meisje moeten gaan. Emma? Lena? Desie? Nee, te plat… Deesje. Ja, Deesje! Ik zag haar meteen voor me; zo zou ze heten. Deesje. Maar ze zou niet bedeesd zijn, integendeel! Haar ouders hadden haar eigenlijk Desirée genoemd maar zij waren kort na Deesjes geboorte omgekomen in een vliegtuigcrash. Deesje ging naar het enige familielid dat ze had: tante Tjilp. Tante Tjilp was wel gewend om met vogels om te gaan (haar hele huisje was in feite één grote vogelkooi) maar niet met kinderen, waardoor Deesje opgroeide tot een merkwaardig maar eigenzinnig meisje. Aan het uitwerken van alle avonturen die mijn Deesje zou beleven, kwam ik niet meer toe omdat ik in slaap viel. Maar niet nadat ik nog snel op een rondslingerende envelop ’Deesje!’ had gekrabbeld, omdat iedereen weet hoe het gaat met briljante ideeën die in de kleine uurtjes tot je komen. Meestal ben je ze de volgende dag weer vergeten. Zo niet, dan bezit het briljante idee beduidend minder glans in het kille ochtendlicht. Teleurgesteld verscheur je het papiertje waarop bijvoorbeeld staat ‘Vrouw ziet vanuit auto oude bekende op zebrapad lopen met witte sportschoenen aan die dood blijkt te zijn’. Had je maar eens een originele gedachte! Maar toen ik de volgende ochtend de envelop tegenkwam waarop ‘Deesje!’ stond, begon mijn hart sneller te kloppen. Snel schreef ik eronder: ‘+ Tante Tjilp. Heeft die misschien bijzondere gaven?’ Wat het is met Deesje, weet ik niet, maar het leek of ze echt bestond. Hoewel het schrijven van een kinderboek niet direct iets is wat ik ambieer, voelde ik dat ik in ieder geval een poging zou doen om Deesje en haar wereld tot leven te brengen. Gisterenavond ging ik ervoor zitten. Maar voor ik begon met het verder uitwerken (of eigenlijk: leren kennen) van Deesje, googelde ik -waarom weet ik eigenlijk niet- op de naam Deesje. De eerste hit benam me de adem: Deesje, een kinderboek van niemand minder dan Joke van Leeuwen. Ik weet niet wat ik sterker voelde: teleurstelling of een vreemd soort trots. Teleurstelling omdat Deesje dus inderdaad al bestaat (en nee, ik kende het boek écht niet) en ik mijn Deesje een andere naam moet geven terwijl dat eigenlijk niet kan omdat het Déésje is en trots omdat ik zomaar tijdens een slapeloze nacht een meisje bedacht dat min of meer al eerder door iemand anders werd bedacht. En als ik de samenvatting van het boek van Joke van Leeuwen lees en de tekening zie, is het ook echt Deesje. Vannacht heb ik dus weer de hele nacht wakker gelegen, op zoek naar een nieuwe naam voor mijn Deesje. De ingeving kwam niet maar ik heb toch goede hoop; er zijn immers zoveel kleine meisjes die graag in een verhaal willen…
Menselijke maat
Gisteren las ik dit interview met psychologe Tatjana van Strien in De Gelderlander. Gezegend met goede genen en maat 36 zult u mij niet horen klagen. Vroeger was dat anders maar inmiddels ben ik zelfs niet wezenlijk geïnteresseerd meer in mijn gewicht. (Niet getreurd! Er zijn gelukkig nog legio andere uiterlijkheden waar ik -32 jaar, beperkt houdbaar- me druk om maak of zou moeten maken, maar daarover wellicht een andere keer meer.)
Na een snelle eerste lezing van het interview met Van Strien dacht ik ‘ja!’. Zég het maar: populaire diëten zijn doorgaans slecht voor je lichaam en doen ook weinig goeds met je geest. Overgewicht is niet met één crashdieet op te lossen, etc.
Tot ik dit citaat nog eens goed las: “Ze eten bij stress of bij somberheid, bij negatieve gevoelens. Dat is tegennatuurlijk want spanning leidt bij normale mensen tot minder of niet eten. Gevoelsblinde mensen hebben echter een slecht zicht op hun gevoelens, hun gevoel van honger en verzadiging. Ze gaan te veel eten, vervolgens weer op dieet, ze falen weer, krijgen negatieve gevoelens en gaan weer overeten. Deze mensen hebben gedragstherapie nodig.”
Het wat denigrerend overkomende gebruik van het woordje ‘ze’ viel me nu op. Ze, ze. Wie zijn ze? Dikke, walgelijke mensen? Het gebruik van ’ze’ wordt bij verder lezen nog schrijnender als de term ‘normale mensen’ valt. Dikke mensen zijn blijkbaar geen normale mensen. Nee, want normale mensen reageren op spanning door minder te eten in plaats van meer. Oh. Dus ik, met mijn maat 36, ben blijkbaar een normaal mens?
Dat is ook voor het eerst! Ik, normaal! Want ik reageer op spanningen door inderdaad te stoppen met eten, naar de dichtsbijzijnde kroeg te rennen voor zes pakjes Lucky Strike, waarna ik kettingrokend en tussen hopen vuile was en beschimmelde koffiekoppen met een halfleeg glas rode wijn wankelend op het nachtkastje naast me in slaap val. Of ik surf, bij vage gevoelens van onbehagen, wat doelloos over het internet, ik kijk naar een oude aflevering van Dalziel and Pascoe (onderwijl dromend van het actieve, sprankelende, literaire leven dat ik zou kunnen leiden maar sorry, ik kan er nu even niet bij), ik trek een fles rode wijn open, ik rook en rook er nog één…
Als ik Van Strien volg, ben ik logischerwijs een borderliner, want niet dik en tóch af en toe gevoelsblind. Dat was een heftige conclusie gisteren, zo bij het ontbijt.
Gelukkig ben ik dan weer niet zó neurotisch dat ik dat geloof; ik waak ervoor dat mijn ziel verstopt raakt, om met Etty Hillesum te spreken, door zo goed mogelijk ‘hinein zu hörchen’ en daarbij de moed te hebben (soms) om de dingen te laten komen zoals ze gaan, wat niet als een passieve houding moet worden beschouwd maar juist als het durven aangaan van de dingen, erdoorhéén in plaats van eromheen…
Sinds een jaar of vier weet ik wat het is om te voelen. Maar héla, wat gevoelsblindheid nu en dan, wat verveling, twijfel, onbehagen en onrust… is dat niet gewoon de menselijke conditie? En is dat niet nodig om de dagen daarna weer ten volle te kunnen voelen en (be)leven? En dat de één gaat eten, een ander gaat roken, drinken, meehuilen met Oprah Winfrey, z’n Hyves bijwerken, de kat van de buren pesten, blote tietenplaatjes bekijken… dat begrijpt mevrouw Van Strien, in al haar ongenuanceerdheid, toch ook wel?
Zwenkarmset (ook geschikt voor muur bevestiging)
Zonder Marktplaats zou ik niet kunnen wonen. Slapen zou niet gaan (witte, houten bedombouw, 50 euro, herkomst: semi-sjieke straat nabij het Goffertpark), zitten/hangen/liggen zou lastig worden (grote, mensvriendelijke bank, 30 euro, herkomst: hat-eenheid Heyendaal), muziek luisteren zou een probleem zijn (soulvolle Sansui-receiver, 30 euro, herkomst: volkswijk Tilburg), ook lezen zou er niet van komen (heuse, ouderwetse sofa, 115 euro, herkomst: rijtjeshuis Dodewaard) en zelfs het achteloos neertypen van een stukje zo nu en dan zou zonder tafel (twee vierkante meter onverwoestbaar materiaal, 20 euro, herkomst: studentenhuis Willemskwartier) onmogelijk zijn. En dan zou ik nog bijna Ronald vergeten! Het bolletje is mijn beste Marktplaats-aankoop ooit, waardoor ik niet alleen thuis kan wonen, maar in feite overal.
Doorkijkjes op zondag II
Zoiets als verkwikt wakker worden na een zware nacht en tot in al je vezels voelen dat er een nieuwe dag is aangebroken, de tot rust gekomen herinnering aan een pijnlijke liefde, de deur voor altijd achter je dichttrekken en weten dat het goed is, de ander ten diepste (h)erkennen, het besef dat chaos en eenheid twee kanten van dezelfde medaille zijn en daar (al is het maar een moment) vrede mee hebben, weten dat het houden van de mensen van wie je houdt nooit voorbij zal gaan…
… zo zong ik, terwijl de geur van verse koffie-met-kaneel het huis vulde en ik de luxaflex opendraaide, mee met John Lennon.
Ja, het gaat over piemels
Er is een rode draad vandaag, vermoed ik…
Vanmiddag stond ik voor de automaat op het binnenplein van de… hoe zal ik het noemen… gelegenheid waar ik vooralsnog* werk om een mergpijp te trekken (even voor de duidelijkheid: deze handeling heeft niets met soep te maken) toen ik me bewust werd van de muziek die over het binnenplein schalde… Rufus Wainwright vestigde namelijk de aandacht op tussen z’n benen. Ik schrok ervan, Rufus en mijn werk zijn werelden die ik graag strikt gescheiden hou. Maar één of andere radiozender dacht daar anders over. Dus zo kwam het dat ik Rufus hoorde zingen over dat traantje dat hij tussen zijn benen wegpinkte terwijl een bewoner met een tamelijk scherpe lichaamsgeur mijn vastzittende mergpijp probeerde te bevrijden door hard tegen de automaat aan te trappen. Hij lachte daar erg bij en zei: “Jij bent toch Nina?” -trap- “En dit is je mergpijp?” -kroink- “Ik haal um er wel uit voor je hoor, niet één maar wel twee!”-kebéng-
Doorkijkjes op zondag
Zoiets als de stem van Meta de Vries, de tune van Bolke de Beer, de geur van zelfgemaakte groentensoep, de nieuwste Suske & Wiske, het acht uur journaal met Harmen Siezen, in één ruk een Simenon uitlezen, Chinees halen met je vader, oma die in haar stoel bij het raam zit, topdrop eten op de achterbank, warme stoeptegels, wollen wanten waar sneeuw aan kleeft, een heldere, zonnige dag met een stevige bries…
… zo droomde ik vannacht dat Lenny Kuhr en de Poppy’s bij mij op visite waren.
‘Immerloos’ (from my point of view)
Wat kan ‘t er daar toch onbarmhartig zwart aan toe gaan.
(Soms. Niet altijd.
Maar áls, dan genadeloos en ongekend heftig)
Ansichtkaart uit G.
Lieve mensen, *zonnetje, 27 graden*
Wij zitten nu heerlijk voor de caravan in de zon. We treffen het ontzettend met het weer, zo op onze eerste vakantiedag. Vlak naast ons staat een paard, dat af en toe hard briest. Als hij loopt, zie je zijn spieren bewegen, die vlak onder zijn in het zonlicht glanzende, bruine vacht liggen. Ik kan er uren naar kijken. Verder is het lekker rustig; afgezien van drie wat vage bejaarden, één autoritaire man, een onderdanige vrouw en twee tamelijk lelijke kinderen zijn we de enigen op deze camping. Straks gaan we even een nieuwe gasfles kopen bij de Boerenbond, waar ik me nu al op verheug. Ik lees in J.J. Voskuils ‘Reisdagboek 1981’, over de wandelingen die hij met zijn vrouw maakte in de Provence. Dit om alvast in de stemming te komen voor als we straks naar Frankrijk gaan. Af en toe moet ik hardop lachen om het gekibbel tussen Voskuil en zijn vrouw (“Ik ben een volwassen vrouw van 54!”) –en schrik dan van mijn eigen lach die de stilte verstoort- maar soms ook slaat de weemoed me om het hart, zoals wanneer Voskuil schrijft dat dit waarschijnlijk de laatste keer is dat hij in Avignon is. Maar laat ik niet in mineur eindigen en weer beginnen over de vergankelijkheid en dat soort dingen. We hopen dat het bij jullie ook mooi weer is! En mochten jullie nog eens in de buurt van G. komen, dan zijn jullie van harte welkom. Het koelkastje bromt gemoedelijk ; het bier staat dus koud!
Veel groetjes,
WIJ
Tussen ons gezegd en gezwegen:
‘volgens mij maakt die Harry Potter zich óók al jaren schuldig aan dopinggebruik.’
(Kán haast niet anders, als je ziet wat die vent allemaal presteert…)
Flinter
De eerste nacht in Ronald was een hel.
Er passen 1.524 muggen en 2 volwassenen in een mini-caravan.
Waar ik soms nou nog ‘s écht zin in heb…
Fossielen zoeken in een drooggevallen Italiaanse bergbeek. Avondje doorzakken met Marcus Tullius Cicero. Stapel boeken weglezen waar ik al veel te lang niet aan toe kwam. In m’n eentje weer ‘ns een week in een Amelands duinhuis. Een lang weekend naar m’n zusje in Rome en dan héél veel praten, janken en lachen. Rufus nóg een keer een hand geven (en misschien ook wel een knuffel). 100% geen gezeik aan m’n kop. Zondagmiddagje bijpraten met de vriend van Nina. Me eens een écht kostuum laten aanmeten in plaats van die 4000 Euro confectieshit waarin ik me doorgaans voortbeweeg. Een weekje retraite in m’n favoriete klooster. Alsnog ‘sorry’ zeggen waar dat eigenlijk nodig was. Alsnog ‘sorry’ horen waar dat eigenlijk keihard nodig was. Een ouderwets goed gesprek met m’n goeie, oude, overleden vriend Hellema. Een Witbiertje, zónder citroen. (Of twee). Opnieuw tien zijn en met m’n vader (Nee: ‘met m’n goeie, lieve, wijze, fantastische vader’) naar Santiago de Compostella fietsen. ‘Hallelujah’ van Jeff Buckley beluisteren zoals ik het hoorde voor die allereerste keer. Het volgende weblogpostje van mikzlog , JNNK of aiebdbi. Helemaal opnieuw beginnen. Een tijdreis maken naar die paar jaren vóór 8 september 1981 voor een goed gesprek met m’n moeder. Het gevoel ‘dat het nog álle kanten op kan’. Wakker worden zonder kater. Opnieuw verliefd worden op m’n vriendin. Voor het eerst en eindelijk van de hoge. Dat ik de paperclip had uitgevonden. Kamperen in Bolletje Ronald. Wilde, adembenemende, bloedstollende seks met het meisje van het café om de hoek. (Goed gesprek mag ook. Maar liever: ‘wilde, adembenemende, bloedstollende seks’) Mattheus Passion, Naarden, 20 maart 2008. Dat ‘my dearbeloved’ stille lezer een verbluffende gastnozzel schrijft. Gastronomisch spektakel en goeie gesprekken bij de vriendin van een (Állerbeste) vriend in Den Haag. Dat op een onbewaakt moment de Heilige Maagd Maria aan mij verschijnt. Met m’n kop in de zon daadwerkelijk vóelen dat de zon schijnt. Nimmer nog Immerloos. ’Thuis komen’ in dit leven. Elk ogenblik van m’n leven een Nozzel waard.
(Maar ik begrijp natuurlijk óók heus wel dat het niet élke dag feest kan zijn….)
Zo, nu ga ik slapen!
Ben doodmoe van het hele weekend buiten spelen met Ronald.
This must be our lucky day!
“Het grootste ongeluk is geluk dat niet ophoudt.”
(Godfried Bomans)
Futility
“Ze verdronken in de modder, ze verdronken gewoon in de modder“, hoorde ik Koen Koch vanochtend op de radio zeggen. Hij zei nog meer, over de Menenpoort in Ieper waar de namen van 55.000 vermiste jonge mannen in werden gebeiteld en dat er ruimte tekort was voor die andere 35.000 namen, over hoe er geen weg aangelegd kan worden zonder dat het ene na het andere soldatenlichaam boven komt drijven uit de klei. Ik kreeg niet de indruk dat er veel mensen luisterden. In Flanders fields the poppies blow. In Afghanistan wuiven witte papavers.
Move him into the sun
Gently its touch awoke him once
At home, whispering of fields unsown.
Always it woke him, even in France,
Until this morning and this snow.
If anything might rouse him now
The kind old sun will know.
Think how it wakes the seeds,
Woke, once, the clays of a cold star.
Are limbs, so dear-achieved, are sides,
Full nerved, -still warm-, too hard to stir?
Was it for this the clay grew tall?
- O what made fatuous sunbeams toil
- To break earth’s sleep at all?
Wilfred Owen (1893-1918)