Een mooie dag
Het kerkje van Ooij stak scherp af tegen de grijsblauwe hemel en de heuvelrug in de verte. We zagen het huis dat E. Lücker een eeuw geleden schilderde. Boten voeren over de rivier, we fietsten een tijdje met ze op en sloegen toen rechtsaf. “Alsof ze samen één lichaam vormen”, zei ik, wijzend naar de zwerm spreeuwen die over ons heen joeg.
In Beek-Ubbergen streken we neer voor een kop warme chocola. Er kwam een man binnen, die meteen doorliep naar de krantentafel aan de andere kant van het restaurant en in het voorbijgaan een kop koffie bestelde bij de jonge ober. De man bladerde nog door de krantenstapel toen de ober terugkwam. “Zal ik uw koffie alvast bij de papegaai neerzetten meneer?”, vroeg hij beleefd en zonder spoor van ironie.
Wij zaten ook in de buurt van de papegaai, die zijn kop wat achterdochtig schuin had gehouden en mij met nieuwsgierige oogjes had bekeken toen ik hem begroette.
De man met de krant ging naast de papegaai zitten en sprak zacht tegen hem. Hij stak zijn hand in de kooi en de papegaai bood hem meteen zijn gevederde nek aan, waar de man vervolgens lange tijd doorheen bleef kroelen. Toen we weggingen, keek ik nog eens naar hen en slikte mijn ontroering weg bij het zien van de vertrouwdheid en genegenheid tussen de man en de papegaai.