Wekelijks terugkerend feest van herkenning

Altijd weer máchtig interessant, om daags na het weekend te mogen vernemen met wat voor een uitzonderlijke avonturen m’n dierbare, mannelijke collega’s hun tweedaagse ‘leisure-time’ hebben zoet gebracht.
Sterker nog: ik kijk immer dusdanig reikhalzend uit naar hun sterke verhalen tijdens het eerste kopje maandagochtendkoffie dat ik dat hele weekend het liefst compleet zou overslaan!
Maar dat kan natuurlijk niet.
Waar zouden ze anders de tijd vandaan moeten halen om hun uitzonderlijke avonturen ook daadwerkelijk te kunnen beléven, niet waar?

Eergisteren was het gelukkig weer zo ver. Reeds bij binnenkomst in de personeelsruimte zag ik ze aan hun vaste tafeltje zitten, collega 1, 2 en 3; licht naar elkaar overhellend converseerden ze met gedempte stem, als beraamden ze een coup.
Maar ík wist natuurlijk wel beter!
Ik schonk snel m’n pleur in en schoof likkebaardend aan.
Ik boog m’n gelaat tussen hun koppen, wisselde enkele blikken van begroeting en  herkenning, en leverde zo mijn subtiele bijdrage aan de warme vorm van verstandhouding die slechts tussen mannen onderling kan bestaan. Om vervolgens met geduld en gepast respect alert te zijn op het moment waarop ik mij vloeiend in hun discours zou kunnen mengen:

Verder lezen

This train don’t stop…

“Kijk, ik doe Rufus. Won’t you walk me through the Tiergarteeen…”
“Pas nou maar op met dat bierflesje, straks slaat ’t tegen je voortanden.”
“Dit is geen bierflesje maar een microfoon. Zie je?”
” … Tuurlijk. Hoe kon ik niet?”
“Doeeesn’t matter if it is raining… Ho, ik word een beetje duizelig.”
“Komt door je onnavolgbaar dansen.”
“Gracieus, vind je niet? Hop, hop. … En schalks. Ik zou een geweldige nicht zijn. Misschien kan ik Rufus spelen in een van zijn videoclips.”
” … ”
“Zoals Justin Timberlake Elton John doet.”

Kijk en huiver.

(Zo mooi!)

Blinde fluister

‘Waarom schrijf je eigenlijk nooit meer?’, vroeg Goede Vriend opeens.

Zijn vraag overviel me enigszins.
We waren namelijk juist voor een lang weekend naar Belgisch-Limburg getogen om de zinnen wat te verzetten. Het hoofd leeg te maken. Stoom af te blazen. Tot rust te komen.
Ja. Een beetje ‘geestelijk hergroeperen’ was het vooraf geformuleerde doel van onze expeditie. En daartoe stiefelden we dwars door dat prachtig glooiend maar o zo woeste landschap op ons gemakje enkele afstandjes van een verwaarloosbare 70, 80, 90 kilometer weg, onderwijl wat leuterend over moraal, literatuur, religie, de Snaartheorie, vrouwen en andere vermakelijke bijzaakjes des levens.
Met andere woorden: ik kón er in alle redelijkheid niet op bedacht zijn dat Goede Vriend halverwege één onzer wandelingen plots een bloedernstige aangelegenheid als mijn Schrijverschap zou aanroeren.

‘Later’, zo maakte ik met mijn hand een wegwerpgebaar, aangezien we net aan een pittig klimmetje begonnen waarvoor ik mijn adem nog wel eens hard nodig zou kunnen hebben.

Verder lezen

Bij de uitvaart van Jan Wolkers

Het was een gure, witte dag.

Zo’n dag was het ook toen mijn oma begraven werd, in het dorp dat grenst aan Oegstgeest, het dorp ook waar ik geboren ben. De rouwstoet, te voet achter de lijkwagen aan, slingerde zich door de witte kou naar de begraafplaats, waar het geopende graf wachtte.
De dominee had tijdens de plechtigheid zijn mond vol gehad van ‘Jééézus, mensen’. Mijn oma had een goed leven geleid en was zo’n lief mens geweest vanwege haar geloof, donderpreekte hij over de kist heen. Met bonzend hart zat ik op mijn stoel te luisteren, af en toe steels opzij kijkend naar mijn vader.
Mijn oma wás lief, en had alles over voor man, kinderen, kleinkinderen en een grote vriendenschare, maar niet vanwege Jezus, niet om in de hemel te komen. Ze was gewoon een schat van een vrouw, zoals mijn opa ook in cursief boven de rouwadvertentie liet zetten.
Aangekomen op de begraafplaats, bleken er twee grote speakers naast het open graf gezet te zijn, waar psalmen uit weerklonken. Een gevoel van onwerkelijkheid maakte zich van mij meester. Toen de kraaien de kist lieten zakken, galmde de zware stem van de dominee over de graven: ‘Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.’
Ik heb er een tijdlang slecht van geslapen.

Een wind die het tentzeil om ons heen deed klapperen, stak op toen de plechtigheid begon. We keken naar het scherm. Het was raar: je bent ergens dicht bij en toch ook helemaal niet. Naast mij zat een vrouw van een jaar of veertig, haar ogen waren rood van het huilen. Vlak achter mij zat een jongen, die bij vlagen hardop lachte of fluisterde ‘ja, ja’. Er waren kinderen, tieners en hele oude mensen. Studenten, huisvrouwen, mannen met een linnen tasje over de schouder. Ik rook zo nu en dan aan het lavendeltakje dat ik eerder die middag plukte uit een tuintje aan de Middenweg.
Zo zaten we daar en namen afscheid van Jan, een stel vreemden bij elkaar in een partytent op een begraafplaats.
 

De winterslaap 

Als de sneeuw niet meer
Smelten wil,
Een boterham met dubbel jam
De mond niet opent,
een oog kijkt eerder scheel
naar een gebroken ruit –
Dan hangt men lakens voor het raam,
De kille bloedsomloop
Zakt naar de modder,
Er is geen wakker worden aan.

Jan Wolkers (1925 – 2007)

‘Het was toch die rooie, he’

… Maar ineens kreeg ik er weer genoeg van. Ik hield er mee op. Ik had er geen zin meer in. Ik begon al te kotsen als ik een rok zag. Eerst dacht ik dat ik impotent geworden was van een meid met zoveel haar op haar borsten dat het was alsof je met je kop tussen de kokosmatten lag. Maar dat was het niet. Ik kon het gewoon niet vinden. Haar niet. Olga.

Verder lezen

Doorkijkjes op zondag III

De laagstaande zon, de felblauwe lucht, het ruisen van de bruine, gele en rode bladeren… Hypnotiserend is de herfst, je verlangt ernaar maar als het zover is, valt de vermoeidheid als een lange, lange schaduw over je heen. In de auto al kun je nauwelijks je ogen openhouden, met moeite hijs je jezelf uit het voertuig. Liefst bleef je zitten of nog beter, nestelde je jezelf op de achterbank, zon op je benen, je gezicht in de schaduw, om voor heel lang te slapen. Op de parkeerplaats, in een U-bocht in het bos, rennen honden doldwaas rond terwijl kinderen gillen en ouders roepen: “Bo. Bo! Kom hier!”
Je wandelt even in het bos, raakt voorzichtig een paddestoel aan, raapt een beukenootje op, schopt wat bladeren omhoog, ruikt aan een stuk dood hout. Je kijkt omhoog en ziet die nog steeds intens blauwe lucht.
Alles lijkt iets te beloven en iets tekent zich scherper af dan ooit maar je kunt er in zo in de open lucht geen wijs uit.

Als je weer thuis bent en je je op de bank nestelt met een kop dampende thee laat je alle traagheid toe. De luxaflex tempert de zon, die zich alleen indirect laat zien door de gouden strepen op de vloer. Je bent moe van alles en eeuwig, en toch zal het verlangen niet doven, nee nooit, en zeker niet in de herfst, het jaargetijde waarin alles goudgekleurd en oprecht is.

Zachtjes neurie je mee met Neil Young.

Beetje gemeen…

… om naar een filosofisch café te gaan met als thema ‘ouder worden’ en je tussen het grijze publiek weer eens heerlijk jong te voelen, onderwijl ernstig meeknikkend zeker, ouder worden moet je accepteren etc.