Ansichtkaart uit G.

Lieve mensen,  *zonnetje, 27 graden*  

Wij zitten nu heerlijk voor de caravan in de zon. We treffen het ontzettend met het weer, zo op onze eerste vakantiedag. Vlak naast ons staat een paard, dat af en toe hard briest. Als hij loopt, zie je zijn spieren bewegen, die vlak onder zijn in het zonlicht glanzende, bruine vacht liggen. Ik kan er uren naar kijken. Verder is het lekker rustig; afgezien van drie wat vage bejaarden, één autoritaire man, een onderdanige vrouw en twee tamelijk lelijke kinderen zijn we de enigen op deze camping. Straks gaan we even een nieuwe gasfles kopen bij de Boerenbond, waar ik me nu al op verheug. Ik lees in J.J. Voskuils ‘Reisdagboek 1981’, over de wandelingen die hij met zijn vrouw maakte in de Provence. Dit om alvast in de stemming te komen voor als we straks naar Frankrijk gaan. Af en toe moet ik hardop lachen om het gekibbel tussen Voskuil en zijn vrouw (“Ik ben een volwassen vrouw van 54!”) –en schrik dan van mijn eigen lach die de stilte verstoort- maar soms ook slaat de weemoed me om het hart, zoals wanneer Voskuil schrijft dat dit waarschijnlijk de laatste keer is dat hij in Avignon is. Maar laat ik niet in mineur eindigen en weer beginnen over de vergankelijkheid en dat soort dingen. We hopen dat het bij jullie ook mooi weer is! En mochten jullie nog eens in de buurt van G. komen, dan zijn jullie van harte welkom. Het koelkastje bromt gemoedelijk ; het bier staat dus koud!

Veel groetjes,
WIJ