Waar ik soms nou nog ‘s écht zin in heb…

Fossielen zoeken in een drooggevallen Italiaanse bergbeek. Avondje doorzakken met Marcus Tullius Cicero. Stapel boeken weglezen waar ik al veel te lang niet aan toe kwam. In m’n eentje weer ‘ns een week in een Amelands duinhuis. Een lang weekend naar m’n zusje in Rome en dan héél veel praten, janken en lachen. Rufus nóg een keer een hand geven (en misschien ook wel een knuffel). 100% geen gezeik aan m’n kop. Zondagmiddagje bijpraten met de vriend van Nina. Me eens een écht kostuum laten aanmeten in plaats van die 4000 Euro confectieshit waarin ik me doorgaans voortbeweeg. Een weekje retraite in m’n favoriete klooster. Alsnog ‘sorry’ zeggen waar dat eigenlijk nodig was. Alsnog ‘sorry’ horen waar dat eigenlijk keihard nodig was. Een ouderwets goed gesprek met m’n goeie, oude, overleden vriend Hellema. Een Witbiertje, zónder citroen. (Of twee). Opnieuw tien zijn en met m’n vader (Nee: ‘met m’n goeie, lieve, wijze, fantastische vader’) naar Santiago de Compostella fietsen. Hallelujah’ van Jeff Buckley beluisteren zoals ik het hoorde voor die allereerste keer. Het volgende weblogpostje van mikzlog , JNNK  of aiebdbi. Helemaal opnieuw beginnen. Een tijdreis maken naar die paar jaren vóór 8 september 1981 voor een goed gesprek met m’n moeder. Het gevoel ‘dat het nog álle kanten op kan’.  Wakker worden zonder kater. Opnieuw verliefd worden op m’n vriendin. Voor het eerst en eindelijk van de hoge. Dat ik de paperclip had uitgevonden. Kamperen in Bolletje Ronald. Wilde, adembenemende, bloedstollende seks met het meisje van het café om de hoek. (Goed gesprek mag ook. Maar liever: ‘wilde, adembenemende, bloedstollende seks’) Mattheus Passion, Naarden, 20 maart 2008. Dat ‘my dearbeloved’ stille lezer een verbluffende gastnozzel schrijft. Gastronomisch spektakel en goeie gesprekken bij de vriendin van een (Állerbeste) vriend in Den Haag. Dat op een onbewaakt moment de Heilige Maagd Maria aan mij verschijnt. Met m’n kop in de zon daadwerkelijk vóelen dat de zon schijnt. Nimmer nog Immerloos. ’Thuis komen’ in dit leven. Elk ogenblik van m’n leven een Nozzel waard.

(Maar ik begrijp natuurlijk óók heus wel dat het niet élke dag feest kan zijn….)

Futility

“Ze verdronken in de modder, ze verdronken gewoon in de modder“, hoorde ik Koen Koch vanochtend op de radio zeggen. Hij zei nog meer, over de Menenpoort in Ieper waar de namen van 55.000 vermiste jonge mannen in werden gebeiteld en dat er ruimte tekort was voor die andere 35.000 namen, over hoe er geen weg aangelegd kan worden zonder dat het ene na het andere soldatenlichaam boven komt drijven uit de klei. Ik kreeg niet de indruk dat er veel mensen luisterden. In Flanders fields the poppies blow. In Afghanistan wuiven witte papavers.

Move him into the sun
Gently its touch awoke him once
At home, whispering of fields unsown.
Always it woke him, even in France,
Until this morning and this snow.
If anything might rouse him now
The kind old sun will know.

Think how it wakes the seeds,
Woke, once, the clays of a cold star.
Are limbs, so dear-achieved, are sides,
Full nerved, -still warm-, too hard to stir?
Was it for this the clay grew tall?
- O what made fatuous sunbeams toil
- To break earth’s sleep at all?

Wilfred Owen (1893-1918)

M’n eigen bolletje

Ik moet wel gek zijn! Het verlangen naar een kleine kip caravan (een kuiken als het ware), een pipowagen, een walnoot-op-wieltjes om mee rond te rijden en in te slapen werd zo groot dat er gewoon eentje voor me gereserveerd staat te wezen ergens in Limburg. Zaterdag gaan we kijken en in geval van fris en technisch in orde (in advertentietermen: vakantieklaar) rijden we ermee terug naar huis! En ik wil niet alleen met mijn bolletje op vakantie, ik wil ‘m ook op een miniboerencampingplekje zetten, ergens in Groesbeek, of de Ooij, of Berg en Dal. Zodat ik daar buiten kan lezen en slapen op een dekentje. U merkt het, ont-zet-tend wilde plannen worden er gesmeed in mijn hoofd: een eigen caravan én een seizoensplek! Wilder moet het niet worden en gekker ook niet. Alhoewel, gisteren, in bad, wist ik opeens hoe het bolletje zal heten, mocht hij de mijne worden. Of ik er blij mee ben, laat ik wijselijk in het midden, maar er zit niets anders op: zijn naam is Ronald!

En wat zijn mijn ouders toch altijd weer de liefste van de wereld: ‘Dat ziet er goed uit. Vooral met de voortent. We zouden er bijna zelf ook eentje kopen! Gefeliciteerd met je “Ronald”.’

Medley

(5 juli, Groningen-stad)
“Oh nee, oh nee!”
“Oeps. Daar gaat ie.”
“Oh God, oh nee. Wat erg. Wat érg!”
“Nina. Nina lieverd, hallo. Hallo. Gaat het? Blijf bij me, let op de weg.”
“Voelde je dat? Krttrtogrt. Alsof hij door de gehaktmolen werd gedraaid. Grrrrrottkrt! Ik vóelde het gewoon!”
“Ik zag in de achteruitkijkspiegel nog een hoop veertjes opwaaien. Echt, hij was op slag dood. Niet geleden, dat beestje.”
“Pfff. Ik heb nog nooit een vogel overreden. En het was ook nog een merel!”
“Je deed het heel goed, door zo door te rijden. Remmen was levensgevaarlijk.”
“Ja. ja. Denk je écht dat hij niet geleden heeft?”
“Nee, zet het nou maar van je af lieffie.”
“Ja.”
“Misschien zit er wel een Nozzel in.”
“Dat we naar Rufus gingen en in Groningen een merel doodreden?”

(5 juli, ter hoogte van Ulrum)
“Had ie nou Zweedse klompen aan?”
“Sorry lieverd, ik heb een half uur de hand van Rufus staan schudden, een filmpje van ‘m gemaakt en geluisterd naar de gesprekken die hij met z’n fans voerde, waarbij ik voortdurend aan je dacht en niet kon geloven dat je er niet bij was, ik heb élk woord en élke gezichtsuitdrukking van de goede man onthouden omdat ik wist dat je alles zou willen weten maar sorry, nee, IK HEB NIET GEZIEN OF HIJ ZWEEDSE KLOMPEN AAN HAD!”

(6 juli, Warfhuizen)
“Mogge lieffie.”
“Goeiemorgen.”
“Ben je blij?”
“Ja. Ik was aan het fantaseren over wat ik tegen Rufus gezegd zou hebben als ik hem gisterenavond langer dan 1,83452 seconden had gezien.”

(6 juli, Aduard)
“Wat een slagregens. En mooi ook hoe je in de verte de volgende bui alweer aan ziet komen.”
“Rufus zal wel nooit hier komen, op dit Groningse hogeland.”
“Nee, dat lijkt me niet.”
“Stel je voor dat hij wél hier was en naar het kloostermuseum ging.”
“Laten we vooral de moed erin houden lieverd en ons geen nare dingen in het hoofd halen.”
“Dus het kloostermuseum was voor jou ook anders dan je je had voorgesteld?”
“Dat kun je wel stellen.”
“Ik persoonlijk was nogal teleurgesteld over het feit dat er geen klooster was.”
“Voor mij had er íets meer nadruk op het kloosterleven mogen liggen, en iets minder op maquettes opgetrokken uit eierdozen en ouwe hond.”

(9 juli, Nijmegen)
Ik sta bij de kassa in de H&M en opeens dringt tot me door: Rufus! Between my legs! Ik lach naar de jongen (19) achter de kassa en zeg: “Jullie draaien Rufus Wainwright.” Hij kijkt me nieuwsgierig aan. “Ken je dit?” Ik knik. “Dit is Rufus Wainwright.” Hij vraagt me de naam van ‘hun’ nog eens te herhalen. “Nee, ken ik echt niet”, zegt de jongen. “Niemand hier kende het. Wij vonden het nogal vaag. Beetje raar. Zal wel iets Zweeds zijn, zeiden we tegen elkaar.” Even helemaal de draad kwijt, herhaal ik: “Zweeds?” “Ja, H&M weetjewel. We krijgen onze muziek van het hoofdkantoor in Zweden.” Ik lach en vertel dat Rufus in New York woont en dat hij afgelopen donderdag in Groningen optrad en dat het uitverkocht was en bovenal geweldig. De jongen houdt zijn hoofd wat schuin en knikt. “Okay okay, cool.” Als een tevreden missionaris loop ik naar buiten en verstuur even later een sms: ‘Het zouden echt wel eens Zweedse klompen geweest kunnen zijn!’
 

Agendawanbeheer -slash- secretaresse (V/V) gezocht

Sinds enkele weken staat er met dikke letters in mijn agenda bij 5 juli 2007: ‘Groningen – 20:30 uur – ‘Rufus’.

Onderstreept nog wel, dus het móet haast wel iets belangrijks wezen.

De grap is echter: ‘Ik kén helegaar geen Rufus!’

Ik zóu morgenavond dus net zo goed gewoon thuis in Utrecht op de bank kunnen blijven zitten wachten tot die Rufus opbelt zo van ‘Ja hé sukkel ik dacht dat wij een afspraak hadden, ik sta hier al minstens een uur en waar blijf je nou?!’, waarop ik dan iets zou mompelen als ‘shit man sorry!!, helemaal vergeten (gékkenhuis hier!), ergens volgende week tijd voor een nieuwe afspraak?’

Ja ,dat zóu ik kunnen doen….

Maar ik denk dat ik morgen voor de zekerheid tóch maar naar Groningen afreis.
Net zo spannend, eigenlijk.
Kom ik er tegen half negen waarschijnlijk vanzelf wel achter wat die knakker van me moet….