Lange tijd (and I’m almost ashamed that I’m not ashamed to admit it) koesterde ik de rotsvaste overtuiging dat ‘Elvis’ in dit leven het Hoogst Haalbare was.
En met ‘Elvis’ heb ik het uiteraard niet over Costello of mijn tamme Krokodil, maar over niemand minder dan ‘The King’.
‘Elvis Aaron Presley’, de arbeiderszoon uit Tupelo, Mississippi, die in de 42 jaar die hem in dit ondermaanse gegeven was het landschap der populaire muziek drastisch herschiep, de in de jaren ’50 voorzichtig opkomende jeugdcultuur een stevige impuls gaf, en de begrippen ‘massahysterie’ en ‘afgoderij’ en passent van tot dan toe ongekende betekenis en inhoud voorzag.
Dat ik deze Blanke-Sterveling-Met-De-Zwarte-Stem ongegeneerd een godenstatus toekende had geen andere reden dan dat ik me domweg niet kon vóórstellen dat een vrouw ongevoelig kon zijn voor de ijskapsmeltende charmes van deze heupwiegende rasartiest, en nog minder kon ik mij inbeelden dat er manmensen rondliepen die niet heimelijk een exacte kopie van Elvis zouden willen zijn.
Verheerlijking van Elvis leek mij dientengevolge een goed verdedigbare raison d’etre, als het al niet zou mogen gelden als afdoend antwoord op de prangende vraag naar de Zin van ons bestaan.
Verder lezen