Waar ik in 2007 niet over schreef
Over Herman, de vreemde man met het hoge voorhoofd, de warrige krullen en de in sandalen gestoken en met geitenwol besokte voeten, die naast ons stond op de camping in Frankrijk. Hij was de hele dag zó allenig dat hij me zodanig met mijn (en ons aller) existentiële eenzaamheid confronteerde dat ik er onredelijk kribbig van werd en hem slechts met moeite kon groeten -waar ik me dan weer schuldig over voelde want als er íemand van mens tot mens gegroet moest worden, dan was het Herman. Tot L. hem uitnodigde voor een glas wijn en ik Herman eindelijk recht in de ogen durfde te kijken. We brachten twee rustige avonden met zijn drieën door. Eenmaal kwam het gesprek op muggen en de bijbehorende bulten, waar L. en ik nogal door geteisterd werden. Herman schudde zacht zijn hoofd. Nee, muggen, zo vertelde hij, moesten van hem niets weten. “Mij vinden ze niet lekker, ze vliegen altijd in een grote boog om mij heen.” Zelfs de muggen! Er viel een lange stilte. Je kon alleen, als je goed luisterde, mijn hart horen breken.
Over mijn verbazing over het feit dat we elke dag onze geestelijke gezondheid redelijk weten te bewaren, terwijl we toch dondersgoed weten dát we doodgaan, alleen niet hoe en wannéer - en, in een minder sombere bui, over hoe we ons vaak zo nonchalant en kortzichtig door dit leven bewegen, dat toch zo wonderlijk en bárstensvol is.
Over hoe ik op het schoolbord in de keuken ‘Welkom L.!’ schreef, en ook op het wc-papier. Als grapje en omdat ik oprecht blij ben dat hij bij me komt wonen.
Over de grote man met de tatoeage in zijn nek, die een gehele afhaal-Chinees in zijn ban wist te houden door hardop na te denken over zijn bestelling. ‘Wat zal ik doen? Een nasietje met saté?’, brulde hij door de kleine ruimte, daarbij verwachtingsvol rondkijkend. Iedereen zat opeens met veel aandacht een artikel te lezen in De Gelderlander of de Privé. Toen hij, na ongeveer de hele menukaart te hebben overwogen, uitkwam bij ’Of zal ik dan tóch een porsie rund terriejakie doen?’ en ik hem, de wanhoop nabij, bemoedigend toeknikte, greep hij met zijn joekel van een hand de mijne en stelde zich stralend voor: “Kareltje!”.
Over de zwerver die van het bankje onder de vogelhuisjes, in een steeg in de benedenstad, zijn woonkamer heeft gemaakt.
O ja, did I mention Rufus?
Gelukkig nieuwjaar!