Ik herinner me de ongekende sensatie die me beving als betreft het de dag van gisteren: het was tijdens één van mijn bezoeken aan Rome, november 2002.
De duisternis was al ingevallen toen ik tegen een uurtje of zeven het vrijwel uitgestorven Piazza del Popolo schuin overstak met geen andere behoefte dan om in het aangrenzende kerkje wat te schuilen voor het gemeen gure herfstweer.
Op een bejaard dametje dat een kaarsje brandde na, trof ik de ‘Santa Maria del Popolo’ stervelingsloos. De sfeer die er hing was, op z’n zachtst gezegd, ‘surrealistisch’. Dit was deels toe te schrijven aan de oprukkende schemering en de slagregen die het broze glas-in-lood geselde, maar meer nog aan een enorm Piranesi-achtig bouwwerk van houten en metalen steigers en staketsels dat vanaf het altaar tot hoog in de gewelfde apsis reikte. Het altaar zelf lag bezaaid met aangebroken zakken cement, rondslingerend gereedschap en een omgevallen werkbank.
Het zou nog geruime tijd duren voordat op deze plek weer in een sfeer van heiligheid de Eucharistie gevierd zou kunnen worden. Zoveel was duidelijk.
Enig straatrumoer drong tot me door op het moment dat het oude dametje de kolossale deur openduwde en de kerk verliet; daarna waren de stilte en ik alleen.
Ik werd met kracht herinnerd aan dat speciale gevoel dat ik vroeger zo vaak had mogen ervaren; ‘half zeven ‘s morgens, zwemles, nog voor ik naar school ging.’
Ik deed altijd mijn uiterste best om als eerste bij het zwembad te zijn. Vanwege de stilte, de ruimte, maar vooral om het nog rimpelloze water. Om na een kort doch intens gevoel van gelukzaligheid om zoveel rijkdom met een gigantische bomplons dat enorme, vochtige speelterrein tot het mijne te maken. Het machteloze, haast verlammende gevoel overal tegelijkertijd te willen zijn, zolang ik dat uitgestrekte instructiebad nog uitsluitend voor mezelf had….
Precies dàt gevoel van onbeheersbare gretigheid drong zich aan me op terwijl ik daar in m’n eentje de Santa Maria del Popolo bevolkte. Geen nis of alkoof liet ik onbezocht, ik nam enige tijd plaats in een krappe biechtstoel (‘NIEMAND ter wereld zou me HIER weten te vinden! Fantastisch!’), ik slenterde kriskras door de kerk, bedwong mijn neiging om languit op de uit versleten grafstenen bestaande vloer te gaan liggen en hield uiteindelijk voor een kleine kapel links van het altaar halt.
‘Capella Caresi’, stond er in barokke letters op een klein koperen plaatje te lezen.
Het enige dat opviel was dat het er aardedonker was. Ik liet een muntstuk in een gebutst metalen mechaniekje glijden en zette daarmee de kapel in een zee van licht. Zelfs toen mijn ogen al ruimschoots aan het licht gewend waren wist ik nog steeds niet wat ik zag: in de kleine kapel hingen, tegenover elkaar, twee levensgrote Caravaggio’s….
Pas na grondige inspectie, m’n neus welhaast tegen de doeken, durfde ik me er van verzekerd te weten dat ik hier daadwerkelijk met authentieke schilderijen te maken had, geen replica’s. Ze waren het echt: ‘De kruisiging van Petrus’, en ‘De bekering van Paulus’. Ik was met stomheid geslagen. WAT EEN ONTDEKKING! Zoveel schoonheid, en dat in schril contrast met de stoffigheid van dit Godshuis in verbouwing. Helemaal speciaal en alleen voor mij! Dit was als de zwembadervaring van weleer, maar dan in het kwadraat. Geen rijen wachtenden voor me, geen suppoosten die me maanden enige afstand te bewaren, zelfs geen dranghekjes die mijn pad versperden. Ongekend!
Dat ik later leerde dat in ALLE reisgidsen van Rome de locatie van beide topstukken vermeld staat heeft aan het gevoel van waarachtigheid betreffende mijn ontdekking nimmer afbreuk kunnen doen, zoals ook de euforie die ermee gepaard ging zich door die kennis achteraf niet heeft laten overschaduwen.
Ik kon nauwelijks van de werken los komen. Alle muntstukken die ik op zak had kieperde ik in het gebutste mechaniekje om het licht maar niet te laten doven, totdat het uiteindelijk overvol raakte en ik me aan definitieve duisternis over moest geven. Pas ruim na achten verliet ik de kerk.
Of het toen nog steeds regende kan ik me eerlijk gezegd niet eens meer herinneren.
Bovenbeschreven sensatie schoot me niet bij willekeur te binnen; ik lees momenteel namelijk ‘The Lost Painting – The quest for a Caravaggio Masterpiece’ van Jonathan Harr. Een werkelijk adembenemende beschrijving van de ontdekking (in 1990) en restauratie van Caravaggio’s schilderij ‘Het verraad van Christus’ dat, honderden jaren verloren gewaand, in de refter van een Jezuïeten-klooster in Dublin boven een walmende openhaard bleek te hangen. Over een ontdekking gesproken…
Vandaag, 28 september, zou Michelangelo Merisi da Caravaggio overigens 435 jaar oud zijn geworden. Dat moet uiteraard gevierd en wel in stijl. Ik pak zo m’n boek er nog maar eens bij en trek een goeie fles op hem open…
U vond twee losse olifanten in dat kerkje grenzend aan het Piazza del Popolo! De liefde waarmee U over Uw ontdekking schrijft doet mij aan de waarachtigheid niet twijfelen. En u heeft er wat van overgedragen: als ik ooit in Rome de door U ontdekte doeken zal aanschouwen zullen ze méér zijn dan “slechts twee simpele Caravaggio’s”. Oók Uw verhaal hangt er nu aan vast.
Wat Uw zwembadervaring betreft, die had ik ook! Dat wil zeggen, net als U begaf ik mij om half zeven ’s ochtends naar zwemles, nog voor ik naar school ging. Nu weet ik niet wat voor zwembad U beplonste, maar de mijne was een openlucht variant. Echter, het water, mijn waarde O., dat was vre-se-lijk koud! De schoonheid van die rimpelloze vlakte, in alle vroegte, die heb ik wel degelijk ervaren, maar de drang om dat te verstoren, en om zoals u zegt overal te willen zijn, werd door een vrij basale omstandigheid aan banden gelegd: een temperatuur van 13 graden Celsius, soms 12. En dat op de warme dagen.
Overigens, naast het instructiebad stond (en staat nog steeds, voorzover ik weet) de hoge. Dáár dacht ik destijds uiteraard nog helemaal niet over na.
Geachte mIKe, waar ziet u mij voor aan? Ik kan u één ding verzekeren: zou men mij vroeger gedwongen hebben om in den vroege morgenstond een ijskoud buitenbad te berimpelen, dan had deze jongen nimmer zwemmen geleerd! Nee, zo Spartaans als u heb ik mijn opvoeding gelukkig niet genoten.
Het doet me werkelijk goed te vernemen dat mijn verhaal vanaf heden aan beide Caravaggio’s vast hangt, daar in dat prachtige kerkje aan het Piazza del Popolo. U zal het wederom kunnen lezen wanneer u de betreffende kapel bezoekt. Ik weet namelijk met zekerheid dat er geen suppoost rondloopt om het te verwijderen.
P.S. Wat ‘De Hoge’ betreft: daar pieker ik heden ten dage nog steeds niet over!
@mIKe: Ga ik bijna voorbij aan die losse olifanten waarover u rept! Inderdaad, het is me wat, met die beesten. Je blijft ze ook maar tegenkomen hè?
En het fascinerende is: je zou zeggen dat je nauwelijks om ze heen kan, maar toch moet je nog verdomd goed willen kijken om ze waar te nemen.
Maar dan heb je ook wat… :)
I was so confused about what to buy, but this makes it udnersantadble.