‘Un passe qui ne passe pas’ of ‘Veel ouwe koeien op een half-schoon schip’ (I)

Donderdag 13 juli j.l. kwam ik aan in Parijs om me aldaar een lang weekend te verpozen.

Dat klinkt wel lekker kosmopolitisch hè? Zoals het daar staat?Verveeld bijna.
Alsof ik me begin vorige week lamlendig afvroeg: ‘Kom, gatverdarrie, wat zal ik nou weer eens gaan doen?’
En dat ik dan simpelweg met geen bevredigender antwoord kon komen dan: ‘Ach weet je wat; laat ik me maar weer eens een lang weekend gaan verpozen in Parijs.’

Ik ben me terdege van die ogenschijnlijke nonchalance bewust maar geloof me: ‘dat was geenszins de stato d’animo waarmee ik me richting de onvolprezen Lichtstad begaf.’
Sterker nog: ik steek zelfs zo kleinburgerlijk in elkaar dat ‘vijf dagen Parijs’ door mij als een weergaloos avontuur kan worden beleefd.
Als enige verklaring daarvoor kan ik geven dat het tussen Parijs en mij de afgelopen 31 jaar gewoon een beetje merkwaardig gelopen is. Want hoewel ik in het overgrote deel van de toonaangevende steden der Oude Wereld de weg blind weet te vinden -en ook de uitgestrekte Parijse ommelanden tot in hun uitersten met bezoeken heb vereerd- is het tussen mij en de Franse hoofdstad slechts een enkele keer eerder tot een korte rendez-vous gekomen:
‘Een vluchtig, oogcontact-loos passeren met het hoofd diep in de kraag’. Meer niet. En daarmee deden we elkaar tekort, zo realiseerde ik me sinds lang.

Om weer bij de aftrap van dit bericht te belanden: 13 juli j.l. gaf ik ons beiden dus de kans op een hernieuwde kennismaking.

Reeds bij arriveren op Gard du Nord bleek dat de Koperen Ploert boven Parijs even onbarmhartig en onbaatzuchtig haar werk deed als te onzent en het kwik moeiteloos tot boven de 35 graden wist te stuwen. Na een onnavolgbare ondergrondse helletocht langs minstens vier arrondissementen was het hotel gelukkig snel gevonden en bood een aftandse ventilator de broodnodige verkoeling.

Terwijl mijn vriendin op onze krapbemeten kamer nog even toilet maakte ter voorbereiding op de rondleiding die ze mij door het door haar zo geliefde Parijs geven zou, bladerde ik in de foyer wat afwezig door de daar verspreid liggende kranten. Le Figaro maakte breeduit gewag van de voorbereidingen die Parijs zich getroostte ter ordentelijke viering van Le Quatorze Juillet. Alsof het hier niet een jaarlijks terugkerend evenement maar een unicum betrof. Ook de kopstoot van Zinédine (‘een jammerlijke reflex van het voetbalwonder die Frankrijk de Wereldcup heeft gekost’, zo wist deze krant met zekerheid te melden) beroerde de gemoederen nog (Zi)danig.
Zo veel begreep ik ondanks mijn steenkolen-frans ook nog wel.

Le Monde had echter een weetwaardigheid te melden die mijn verslapte aandacht terstond wist te prikkelen. Wat zeg ik? Mijn plots opgewekte enthousiasme deed de temperatuur in mijn directe omgeving met minstens nog drie graden toenemen!

Juist op dat moment betrad mijn vriendin fris en monter de foyer. ‘Moet je horen!‘, gilde ik bijna. ‘Gisteren is hier met een officiële ceremonie, in aanwezigheid van Chirac, herdacht dat het precies honderd jaar geleden is dat Dreyfus is gerehabiliteerd!‘ Dat ik in haar vragende ogen geen spoor van herkenning waarnam deed mij beseffen dat ik er verstandig aan zou doen mijn volume en spraakvaart wat te matigen en dat dit historisch gegeven kennelijk toch om enige verduidelijking vroeg. Dat ik in herinnering riep hoe ik in een ver verleden tijdens een nimmer voltooide studie geschiedenis nog eens een paper over deze affaire in elkaar had genozzeld (nota bene op háár toenmalige studentenkamertje!!) deed namelijk ook geen belletjes bij haar rinkelen.

‘Je weet wel!‘, zo deed ik een ijdele poging kennis bij haar af te piep-smeken die ze klaarblijkelijk niet bezat. ‘Alfred Dreyfus!! Die joodse leger-Kapitein die in 1894 op valse en onduidelijke gronden werd aangeklaagd wegens landverraad en daarvoor tot levenslange verbanning naar Duivelseiland, die strafkolonie in Frans -Guyana, werd veroordeeld. Terwijl het zelfs voor een blind paard duidelijk was dat hij slechts het slachtoffer was geworden van rabiaat en virulent anti-semitisme binnen de toenmalige Franse regering en legertop! De enorme maatschappelijke ophef en de grimmige strijd tussen links en ultra-rechts die dat toen in Frankrijk veroorzaakte! De onrust die als gevolg daarvan bijna drie decennia door heel Douce France voelbaar is gebleven! En lang daarna; want Nederland heeft dan wellicht nog altijd wat moeite met het verwerken van haar Indië-verleden; Frànkrijk heeft zich wat betreft het toegegeven van historische ontsporingen en ongerechtigheden, spijtbetuigingen dienaangaande of grondige introspectie altijd nog véél apatischer en autistischer getoond. Moge de mondjesmaat waarmee de tijdens de Tweede Wereldoorlog met de nazi’s collaborerende Vichy-regering de afgelopen zestig jaar tegen het licht is gehouden daarvan getuigen!
Dat er nu van regeringswege zo openlijk aan het eigen vuig verleden ruchtbaarheid wordt gegeven -ja, dat er zelfs een heus Mea Culpa wordt geformuleerd!- is dus niets anders dan een historische mijlpaal!’

Ik had beet: Er begon mijn vriendin iets te dagen.

Daardoor aangemoedigd hyperde ik nog even door.
‘En het is naar aanleiding van deze Dreyfus-affaire dat Émile Zola zijn wereldberoemd geworden pamflet
‘J’accuse!’ in L’Aurore publiceerde, als directe en openlijke kritiek op het nalatig handelen van de Franse President in deze kwestie’. Ik stond op het punt door te slaan, ik voelde het aan alles maar er was geen houden meer aan. ‘

‘En toen… en toen..en toen is Dreyfus na vier jaar vrijgelaten en op 12 juli 1906 uiteindelijk gerehabiliteerd, dramde ik welhaast kwijlend voort. ‘En nu is er dus naast die bijeenkomst met Chirac en enkele nabestaanden van zowel Zola als Dreyfus, ook nog een POSTZEGEL verschenen om dat heuglijke feit te herdenken’, zo eindigde ik hijgend en hevig transpirerend mijn requisitoir. (Een beetje een zwaktebod om zo te eindigen natuurlijk. Alsof die postzegel nog enig gewicht in de schaal behoefde te leggen: Het overdonderende belang van deze kwestie leek mij ook zònder die kleurrijke, gekartelde snipper inmiddels wel zonneklaar.)

M’n vriendin keek me aan. Ik blikte, uitgeput en licht onzeker, afwachtend terug. Ze kneep haar ogen licht toe, stiet een korte ‘hmm-klank’, knikte meermaals veelbetekenend haar hoofd en reikte me een flesje bronwater aan.
Ze zweeg enige tijd. Om alle ongevraagde informatie te laten zakken, zo vermoedde ik, maar waarschijnlijk nog meer om er met een kort stilzwijgen blijk van te geven dat ze mijn begeestering in deze wel degelijk meevoelde en begreep.

Goed’, zuchtte mijn vriendin toen de stilte wat haar betrof lang genoeg had geduurd en ze kennelijk had getaxeerd dat ze daarmee meer dan voldoende respect en geduld voor mijn Dreyfus-aberratie had getoond.
‘Waar zullen we beginnen? Lijkt het île de la Cité je wat?’

Ik stond als aan de marmeren foyer-vloer gelijmd… Complètement stupéfait…
Ik wist niet wat ik hoorde! Hoe kon deze vrouw -waarvan ik zo liederlijk veel hield!- zo stuitend ongevoelig zijn? Wat kon bezichtiging van de Notre Dame, het Louvre of L’Arc de Triomphe -voor mijn part- nog aan mijn levensgeluk toevoegen!? Het toeval had een zenuw naar het verleden blootgelegd en deze diende door mij tot in de diepste vezel te worden besnuffeld en bepeurd. Ik was nog geen twee uur in Parijs of het doel en de betekenis van mijn aanwezigheid in deze wereldstad hadden zich reeds in alle helderheid aan mij geopenbaard.

Er restte mij geen mogelijkheid dan aan deze vingerwijzing God’s met overgave gehoor te geven. Dat moest ze toch begrijpen!

En anders zou het waarschijnlijk nog best wel eens op een akelig lang weekendje Parijs uit kunnen draaien…

(Wordt vervolgd…)

1 reactie op “‘Un passe qui ne passe pas’ of ‘Veel ouwe koeien op een half-schoon schip’ (I)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>