“Eerst goed naar rechts kijken voor je oversteekt”, had zijn vader hem geleerd toen hij nog maar heel klein was. “En dan naar links en dan nog een keer naar rechts”.
Of misschien was het wel: “Eerst naar links, dan naar rechts en dan nog een keer naar links”. Goed mogelijk. De volgorde van dat heen-en-weer-getuur stond hem eerlijk gezegd niet meer zo helder voor de geest. Maar het belang van deze levenswijsheid had in ieder geval diep in hem postgevat, en daar ging het zijn vader waarschijnlijk toch maar om: ‘Kijk bij elke stap die je zet in vredesnaam goed om je heen want er kan van alles aankomen’.
Het bleek het jongetje aangeboren om goed advies op waarde te kunnen schatten -en bovendien was rebellerend gedrag jegens zijn ouders hem eigenlijk een beetje wezensvreemd – dus vanaf dat moment wierp hij zijn nek in de vreemdste bochten, elke keer dat hij op zijn eigen kleine houtje de Wijde Wereld in trok. Want dàt was de manier om allerhande akeligheid te voorkomen. Zó was je de ellende steeds nèt dat ene stapje voor.
Hij besloot zelfs om van tijd tot tijd ,voor alle zekerheid, ook even naar boven te kijken. Want het zou hem toch niet gebeuren dat ie daar bij elke oversteekbeurt voor z’n eigen bestwil een halfuur naar links en rechts en vice versa stond te koekeloeren en dat er dan opeens een vliegtuig in z’n nek viel.
Ja. Dat zou je net zien.
Zijn oversteken nam zodoende vaak al gauw een halve middag in beslag want altijd -‘ja! daar hééél in de verte! – kwam er wel weer een auto of een bromfiets aan die het op zijn gezondheid had gemunt. -‘Heel eventjes wachten dus nog maar’.-
Het viel hem natuurlijk óók wel op dat er jongens en meisjes waren die zonder te blikken de straat op holden, hun bal achterna, en dat die daar meestentijds, wonder-boven wonder, zonder kleerscheuren of blauwe plekken mee weg kwamen. Het verbaasde hem in hoge mate. Maar goed. Dat was waarschijnlijk meer geluk dan wijsheid. En als hij kiezen moest tussen dom geluk en wijsheid…
“Trek je niets aan van wat andere mensen doen of van wat ze van je denken”, had zijn vader hem ook op het hart gedrukt. (Zijn vader zat werkelijk BOORDEVOL met wijze raad!)
“Blijf altijd trouw aan jezelf. Maak je eigen plannen. Stel je teweer tegen eventuele kritiek op je handelen en als je ooit de weg van de minste weerstand kiest; laat ook dat dan weloverwogen en nooit uit gemakzucht zijn. Wantrouw gezelschappen die uit meer dan drie personen bestaan, want daarin is het makkelijk je authenticiteit en individualiteit te verliezen. Schep orde, want uit wanorde is nog nooit succes gevloeid. Blijf zelf denken, wat er ook gebeurt. Word geen meelijwekkend kuddedier, zorg dat je een zelfstandig denkend en handelend individu wordt. En blijf dat.”
Het stroomde bij het jongetje binnen als God’s woord in een ouderling. Want al had hij de meeste van zijn vader’s woorden nooit eerder gehoord: de betekenis en intentie ervan waren hem geenszins ontgaan. Bovendien: de verkeerslessen van zijn vader hadden hem tot dan toe steeds voor rampspoed en groter kwaad behoed, dus waarom zou hij dan nu opeens aan diens woorden gaan twijfelen?
Hij wist nu wat hem in zijn leven te doen stond.
Slechts weinig tijd verstreek of ook zijn omgeving kreeg in de smiezen welk doel het jongetje zich ten aanzien van zichzelf had gesteld.
‘Een zelfstandig denkend en handelend individu zou hij worden, los van opgelegde kaders en verbanden; los van de waan en de gekte die hij in Het Leven zo mateloos aantrof, los van de mening van Jan en alleman, en los ook vooral van de angst voor de weerstand en verdrukking waarmee hij op zijn pad richting Authenticiteit, Puurheid en Geloof in Eigen Kracht onvermijdelijk geconfronteerd zou worden.’
‘Los…’. Ja. Dat woord kwam wel erg vaak terug, al had hij dat zelf nog niet zo in de gaten.
Zijn omgeving reageerde op hem en zijn levenshouding zoals je dat van een omgeving mag verwachten. Tamelijk divers. ‘Goh!’, zei de één. ‘Dapper wel’, zei de ander. ‘Eigenaardige snuiter’, zei een derde. Maar wat ze ook van hem vonden, of ze hem nou een Verhalenverteller noemden of een Praatjesmaker: deren kon het hem niet. Daarvoor was zijn hang naar Authenticiteit en Puurheid te sterk. Te verblind was hij daarvoor ook, zo zou je met enige goedbedoelde kwaadwillendheid kunnen zeggen.
En, bijna ongemerkt, gleed hij weg in iets dat steeds meer trekken begon te vertonen van een isolement. Een isolement dat hij niet zozeer had gewenst, maar dat hij min of meer beschouwde als het logisch en onvermijdelijk gevolg van de levensrichting die hij vanuit een innerlijke noodzaak besloten had te zullen gaan.
Nou kon hij ook niet beweren dat zijn zelfgecreëerde Sonderposition uitsluitend nadelen met zich bracht; het bood hem tevens de uitgelezen kans om, met al zijn fantasie en verbeeldingskracht, vorm te geven aan zijn diepste ideeën en gevoelens betreffende dàt wat volgens hem van waarde was.
Een hoogstpersoonlijke droom-en sprookjeswereld schiep hij zich aldus. ‘De Wereld Zoals Zij Was’, kon hem steeds minder bekoren. Zijn belangstelling ging louter nog uit naar een ‘Wereld Zoals Deze Zou Kunnen Zijn’. En ieder die daarin wilde delen was meer dan van Harte welkom, maar dat sleutelwoord droeg de ijzeren dwang tot wederkerigheid in zich: ‘het moest van Harte gaan.’ En anders liever niet. Dan zou hij het liever in z’n eentje rooien, zoals hij al zo lang gewend was. Dan hield hij, als een acrobaat uit het Chinees Staatscircus, dat dozijn schoteltjes zélf wel draaiend op hun stokjes. Wat nog niet eens zo eenvoudig bleek, want zijn isolement kende weinig momenten van windstilte. Niettemin struikelde hij dapper en onverstoorbaar voort in de vore die hij zelf met zijn ploeg had bereid.
Dat er steeds minder mensen te hulp schoten wanneer één van zijn schoteltjes ter aarde dreigde te storten viel hem wel op, maar het motiveerde hem niet om in dergelijke gevallen de hulp van anderen in te roepen. Want de ‘De Ander’ daar rekende hij eigenlijk nauwelijks nog op.
Het besef ‘verbonden-te-zijn’ met De Anonieme Ander en De Wereld was meer en meer op de achtergrond geraakt. Totdat hij het uiteindelijk definitief uit het oog was verloren.
Betrad hij de Wijde Wereld, dan keek hij nog steeds naar links en naar rechts en vice versa, maar hij herkende in de mensen die hij trof steeds minder van zich zelf. Hij herkende zelfs zo weinig dat het hem uitgesloten leek dat er met hen verwantschap zou kunnen bestaan. Laat staan dat hij zich met hen ‘Verbonden’ zou kunnen weten.
Integendeel: als in de auto’s en bromfietsen bij het oversteken, herkende hij in hen nog slechts de potentiële dreiging die hem zou kunnen belemmeren op Zijn Pad van A naar B. Bovendien: ‘ZE WAREN ALLEMAAL VOLSLAGEN KNETTERGEK!’ dacht hij hooghartig.
En juist dàt had hem te denken moeten geven.
Dat hij aan die overpeinzing niet toe kwam was waarschijnlijk te danken aan het handjevol mensen dat hem nog altijd nabij was en dat hem in zijn worsteling gadesloeg, zijn richting herkende, hem op de been hield, hem inspireerde; Personen die mateloos bleken in hun blijken van genegenheid, vriendschap en liefde voor hem. Deze mensen had hij uitzinnig lief. Ze gaven hem de energie om zijn ambitie, ideeën en gedrevenheid te bundelen in zijn hoogst authentieke Talent; een Talent waarmee hij de Wereld en Zichzelf nog wel eens eventjes verrassen zou. En toen hij er klaar voor was om dat glansrijk te gaan doen trof het hem als een wrede verrassing dat hij zich zózeer had losgezongen van gangbare kaders en verbanden, dat hij met al zijn vaardigheden en toevoegende waarde geen kant meer op kon. Hij had zijn publiek verspeeld.
‘Een glazen stolp had zich ongemerkt gevormd tussen hem en De Wereld’, zo kwam het hem voor, en bij afwezigheid van een deur leek de kans nihil dat hij tot die Wereld ooit nog toe zou kunnen treden.
Verbijsterd keek hij door het glas. Hij zag het gemak. De leugens. De vulgariteit. De platheid. De hypocrisie. De vreugde om niks. De bandeloosheid en het hedonisme. Zelfs door het glas heen drongen talen tot hem door die hij niet kende. Die hij niet wilde beheersen ook. Het vervulde hem van rauwe afkeer zoals hij die nog nooit had ervaren. Barstend van innerlijk verzet en walgend van zoveel lelijkheid en vuns leunde hij tegen het glas, onderwijl zijn Talent als een gloeiend kooltje van zijn ene naar zijn andere hand jonglerend. Zich verbijtend om het afschuwwekkende tafereel dat hij aanschouwde.
Maar wat hem nog het diepst schokte was het plotselinge inzicht dat al die onvolmaaktheid en rans ook ergens diep in hem geworteld moesten zitten, dieper waarschijnlijk zelfs dan hij van zich zelf wilde weten. Of hij het verdragen kon of niet: Ook híj maakte deel uit van deze Breugheliaanse poppenkast, van dit Dantesk inferno.
Zijn handpalmen waren inmiddels zwartgeblakerd. Hij rechtte zijn rug en zuchtte diep. Hij wist nu wat hem te doen stond. Naar binnen moest hij, ongeacht de prijs. Niet om ook gedachtenloos en immoreel te zwelgen in ‘De Wereld zoals zij was’, maar om op bescheiden schaal en met inzet van zijn Talent bij te dragen aan een ‘Wereld zoals deze zou kunnen Zijn.’ Ondanks alle smerigheid en onvermogen die ook hij in zich droeg. ‘Laat me erin’, hoorde hij zich ondanks zich zelf kreunen. ‘Laat me er in Godsnaam weer in!’
——————————————————————
(‘Fijnstof’: als ik de media moet geloven is er nauwelijks een grotere bedreiging voor de volksgezondheid denkbaar. Vanaf het eerste moment dat ik van het bestaan van dit spul kennis nam heeft het me echter bevreemd dat een goedje dat zo’n mooie naam draagt kennelijk zulke desastreuze gevolgen kan hebben. ‘Fijnstof’. Ik zou soms willen dat ik er wat meer van had. In m’n hoofd. ‘What a wonderful world this would be!’)
Ver-bijs-te-rend goed!! Geen tijd voor reactie nu, ben Uw verhaal aan het herleven, ehm, herlezen, bedoel ik.
Geachte mIKe.
Tja. Het moest er uit. Het is die verdomde paardenhaar hè?
Altijd maar weer die verdomde paardenhaar. :)
Doet me heel sterk aan iemand denken.
Ach, geachte Sas: heel misschien kennen we elkaar dan wel :)
:)
Diep onder de indruk ben ik. Lieve O. (Ooit fantaseerden wij -wandelend door de Limburgse heuvels, drinkend in een dorpscafé terwijl Maria haar versteende oortjes spitste- over wat Nozzle zou kunnen zijn. Dit is het, O. Dit is het.)
Deze mindere God (Ha!) denkt tijdens het lezen steeds: ‘waar blijft nu dat: in het weekend gaat hij Larpen, want pas dan kan hij volledig zichzelf zijn’.