Ja ja, vorig logje was wellicht onbegrijpelijk, ook voor mijzelf, maar soms móet dat gewoon even hè. Zo denk ik op de gekste momenten aan een cartoon van Gummbah waarbij een dikke vrouw met vet haar over een barkruk puilt -wellicht zwermen er wat vliegjes rond haar hoofd- en een man tegen haar zegt: “Wat doet een leuke vrouw als jij in een lichaam als dit?” Ha! Haha! Denk ik dan iedere keer opnieuw, terwijl ik toch helemaal niet zo’n Gummbah-liefhebber ben. Of wel? Ooit woonde ik in een huis waar de wc-deur volhing met Gummbah-cartoons. Ik ken ze nog steeds uit mijn hoofd; zie de zieke uitdrukking van de personages nog zó voor me. Fijn is dat. Eén ging zo: een mager mannetje met een wedstrijdnummer op zijn borst doolt verbijsterd en met grote schrikogen rond tussen twee kale bomen en een struik. Het onderschrift luidde zoiets als: ‘Het lukte de Tsjech Petr Kotulek om het wereldrecord verdwalen op twee bomen en een struik te zetten.’ Mij lukte het destijds om te verdwalen in een relatie met één persoon hoor! In een portiekwoning van 35 m2 in een grauw buitenwijkje! Ja-haa! Later stroopte ik alle Gummbah-cartoons van de wc-deur en verfde over de verschoten plekken heen, met glanzende, hagelwitte verf. De plekken waar ooit de cartoons zaten, bleven zichtbaar. Al had ik er alle potten stralend witte verf van de hele wereld tegenaan gesmeten, het mocht natuurlijk niet baten. Gelukkig maar.
Maandelijks archief: mei 2006
Knoop in je hoofd
Onderwijl haar hoofdhuid en -tegen alle regels in want een mens kan in principe niet alles tegelijk- navel stevig affirmerend (ik hóu van mijn hoofdhuid/navel, mijn hoofdhuid/navel is lief voor mijn hoofd/verbindt mijn ingewanden rechtstreeks met de kosmos etc.) volgens het beproefde advies van ‘Ongelukkig? Wat zeur je nou HET LEVEN IS TOCH MAAKBAAR DEBIEL!’-goeroe Louise Hay, bedacht ze dat…
Ken je dat?
Dat je wakker wordt op een zondagochtend en denkt: “Ik wil een aap op mijn hoofd!”
Dat je dan hier heengaat en met je door het park verstrekte aapvrije tas in een uitgelaten stemming ‘gebied B’ -waar de doodshoofdaapjes wonen- in struikelt (je wilde een aap op je hoofd en nu, slechts luttele uren verder, is het al zover! Je kan niet wachten; hoe voelde het ook alweer?) om te ontdekken dat de apen niet meer op hoofden mogen zitten! Van de directie! Omdat ze té vrij werden, die apen. Ze doorzochten zakken, beten in oren en lachten de mensen bij wie ze op het hoofd zaten gewoon keihard uit.
Nu slingerden ze, hoog in de boomkruinen, van tak naar tak, af en toe minzaam op de hun nek strekkende bezoekers neerkijkend. Ze waren ontzettend cool en méér aap dan ooit, ook al zaten ze dus niet op mijn hoofd.
(Dat keihard uitlachen van bezoekers, dat doen ze trouwens nog wél.)
Onmeunig
“Leuke stukjes, die op Nozzel”, zei een jongedame die me na aan het hart ligt laatst. “Puntig vaak. Soms Vilein. En ook wel Grappig. Ja. Echt. Leuke stukjes.”
Ik wilde niet ontkennen dat het me goed deed dat te horen.
“Wat me alleen opvalt”, ging ze verder, “je gebruikt zo vaak het woord Hemeltergend“.
Ik reageerde iets korter aangebonden dan me lief was:”Wat bedoel je? Hoezo: ‘Vaak’? Nooit twee maal in één tekst als ik het wel heb. Toch? En drie keer in tien stukjes vind ik nou ook weer niet bepaald ‘Vaak’. Bovendien: sommige dingen zijn nou eenmaal Hemeltergend.” Bokkig viel ik stil.
“O jeetje”, lachte ze met die benijdenswaardige luchtigheid die ik al zoveel jaren als haar handelsmerk ken. “Je kan nog steeds niet tegen kritiek merk ik wel. Meteen in je kuif geschoten.”
“Gepikt“, bromde ik terug. “In je kuif gepikt. Het is In je Kuif gepikt en In je Wiek geschoten. Of uit je slof. Maar dat is eigenlijk weer wat anders.” Het was vals van me. Dat realiseerde ik me terdege. Maar dat word ik soms nou eenmaal bij opmerkingen die ik als kritiek ervaar. En helaas met name wanneer deze eigenlijk nog terecht is ook.
“Ach nou ja”, bleek ze onverstoorbaar, “ik ben niet zo van woorden, dat weet je best. Maar je snapt wat ik bedoel. Het viel me gewoon op. Dat is alles.”
Zwijgend staarden we een tijdje naar de gloeiende kooltjes in de barbecue. Ik had al weer spijt van m’n kinderachtige uitval en schraapte een hees en nauwelijks hoorbaar ‘Sorry’. “Nu haat je me natuurlijk”, begon ik een doorzichtig charmeoffensief.
“Helemaal niet”, antwoordde ze. “Ik vind je juist heel lief. Hou je ook een beetje van mij?”
“Ja”, zei ik. “Hemeltergend veel zelfs.”
In stilte probeerden we nog wat salamandertjes tussen de kooltjes te ontwaren tot ze na een minuut of vijf ons stilzwijgen doorbrak:
“Toch wel een goed woord eigenlijk: ‘Hemeltergend.’”
What’s in a name?
Weet u? Ik werd vanmorgen wakker en dacht: ‘volgens mij weet ik helemaal niks’. Dat leek mij nou altijd een ramp. Maar het is eigenlijk niks erg. Sterker nog, ‘Dat is Fantastisch!’ Ik Voel namelijk alles wel zo’n beetje. Momenteel. En wat blijkt: daar kan ik een Bijzonder Aardig eind mee uit de voeten. Niets te wensen over zelfs. Want God wat Voel ik opeens veel! En wat voel ik me Goed! Gek hè? Dat je daar dus gewoon geen weet van hebt.
Ik geniet er enorm van; van die diepdoorvoelde nietsweterigheid. En dat moet ook, vind ik zelf. Want dat weet-loze, watterige maar tegelijkertijd o zo glasheldere en vlijmscherpe universum waar ik nu zo gelukzalig en als vanzelfsprekend in rond tuimel en tol kan plots opeens maar weer onbereikbaar voor me zijn. Daar is niet zo gek veel voor nodig. Helaas. Dat weet ik dan weer wèl. Het is een besef dat als een angstaanjagende dreiging, aan een paardenhaar, immer boven me cirkelt. Des te driester ben ik nu dus in mijn haast te willen benoemen wat ik ervaar: ‘Hoe conserveer ik dit Voelen, deze waardevolle pracht, zodat ik er te aller stond op teruggrijpen kan wanneer ik weer eens te veel Weet? En ook: hoe kan ik een ander exact dat zeggen wat ik voel?’
Geen idee. Ook dat is wellicht geen ramp. maar het verbaast me wel: dat voor de omschrijving van dergelijke euforie toereikende woorden niet (b)lijken te bestaan. Terwijl ze toch ergens moeten huizen: die woorden van levenslust, onsterfelijkheid, verplettering en kracht. En maakt u mij nou niet wijs dat ik in deze vertwijfeling alleen sta. Ergens in uw binnenkamertje moet nu toch wel een snaartje van herkenning gaan resoneren? Want dit herkent u best: ‘Je bent overvol van Iets of Iemand, Alles valt voor even op haar plaats, het gaat Goed zoals het gaat en Dat Gevoel borrelt..nee; ‘giert’ zich een baan richting mond met het onstilbare verlangen omgevormd te worden tot een woord – een klank, desnoods – dat recht doet aan haar Grootsheid en Grandeur. Een vorm waarin zij zich aan het Leven tonen kan en delen laat.’
Toch… zoveel te vaak, is mijn ervaring, komt er op uitgerekend die momenten juist niets. En dat is niet alleen raar; dat is hemeltergend frustrerend en onbevredigend bovendien. Maar vooral raar, want volgens mij moet er een tiendelig woordenboek te vullen zijn met woorden, smeekbedes, aan- en uitroepen, verzuchtingen en (kracht)termen die in staat zijn des menschens allerindividueelste gevoelens van genot, extase, verrukking, overdondering en vervulling op adequate wijze te verklanken. Alleen: we delen ze niet met elkaar. En ik denk dat dat doodzonde is. Niet dat ik met dat specifieke woord van u iets zou kunnen, -daar is het waarschijnlijk te persoonlijk voor -maar het zou me gewoon zoveel troost bieden om te weten dat ze überhaupt bestaan: Die Woorden. Ik wil u het mijne wel verklappen, maar voor een goed begrip ervan ben ik gedwongen u even mee te nemen, een stapje terug in de tijd.
Superman, of hoe pure literatuur een deur verder kan huizen
“Er woont nu een alleenstaande moeder met twee kinderen, een jongen en een meisje. Huug en Emma. Het zijn erg grappige kinderen; heel zelfstandig. Laatst stond Emma in de tuin, met haar fietsje en een enorme rugzak om. Ze is vijf. ‘Ik ben bij m’n vriendin wezen logeren’, vertelde ze me. Ze was er zelf naar toe gefietst. ‘Weet je hoe laat we gingen slapen?’ Ze keek me aan met die grote blauwe ogen. ‘Om half tien!’ ‘Vond je dat laat?’, vroeg ik. Ze glom en knikte ja. Ik hoorde van een vroegere buurvrouw dat haar vader haar een keer vergeten was op te halen van school. Liep ie daar met Huug. ‘Is Emma er niet bij?’, vroeg iemand. O, ja. Was ie vergeten. ‘Ze zal wel ergens onder de pannen zijn’, had hij geantwoord. Hun moeder is aardig maar zakelijk. Ze is veel weg. Het huis is ook erg, ja, zakelijk ingericht. Beetje koel. En Huug, dat is een prachtig kind, hij is altijd verkleed als Superman. Rent hij door de tuin in zijn pak, hele verhalen fantaseert hij. Laatst hoorde ik de moeder, ongemakkelijk, enigszins vermoeid: ‘Huug. Nu moet je de deur weer opendoen. (…) Nu is het niet meer leuk. Huug?’ Het duurde even maar uiteindelijk… uiteindelijk heeft Superman zijn moeder weer bevrijd.”
Hoe een simpel ‘we hebben nieuwe buren, wat zijn het voor mensen’-verhaal je diep kan raken. Ik weet het zeker: ergens is een boek, of het nu al geschreven is of niet, waarin Huug en Emma de hoofdpersonen zijn.
In heel Europa is er niemand zoals hij
Opa: “Dus je hebt een website.”
Ik: “Nou, niet helemaal allee…”
Opa: “Er staat niks op.”
Ik: “Hoezo? Heb je op de juiste site gekeken?”
Opa: “Ja. Maar er staat gewoon NIKS op.”
Ik: “Oh.”
Opa: “Mag ik toch wel zeggen?”
Ik: “Ja. Tuurlijk.”
(Stilte)
Opa: “Zeker net zoiets als modern toneel of van die moderne schilderijen?”
Ik: “Ach. ‘t Zijn gewoon verhaaltjes.”
Opa: “Nou, ik vind ‘t niks.”
Intellectueel off beat
Volgens de mobiele telefoon van een vriendin van mij zit ik momenteel bioritmisch gezien intellectueel heel erg laag. Dit valt ook andere mensen op. Collega: “Hoeveel leden hebben we nu?” Ik: “Weet ik niet.” Collega: “Wacht, ik tel even. (…) Het zijn er precies 38.” Ik: “Oh. 40 dus.” Het is vragen om ongelukken om vanavond naar een filosofisch café te gaan. Misschien word ik verwijderd. Met harde hand. Want met logische argumenten moet je nu echt niet bij me aankomen.
Over de rooie
Dat je voelt hoe het begint bij je kruin en langzaam, Tergend Langzaam, afdaalt vanonder je haar over je wangen naar je nek en dat het daar dan niet stopt maar vervolgens nóg lager zakt, zo hup je decolleté in, zodat het uiteindelijk voelt alsof je twee B-cupjes in vuur en vlam staan. Terwijl je met de directie en een gedistingeerd maar toch jongensachtig Heerschap rond de tafel zit voor een Bespreking. En dat alle ogen op jou gericht zijn. “Kijk, ze straalt helemaal”, zegt het Heerschap tactvol. Hij bedoelt natuurlijk ‘gloeit’, ‘brandt’ of ‘staat in de fik’.
Járen niet gedaan (voor het laatst in de brugklas, meen ik) maar sinds een paar maanden is het weer helemaal Mijn Ding: blozen. Het gebeurt niet vaak maar de Blos (dit is geflatteerd uitgedrukt; het gaat om het knalrood aanlopen van kruin tot middenrif) weet dondersgoed welke momenten het uitzoekt. Ik trek mij er al niets meer van aan, maak ik mijzelf wijs. Ik praat door alsof er niets aan de hand is; ik kijk mensen recht in de ogen en lach… Kortom, ik blijf best wel cool. En als het brandalarm afgaat, ren ik altijd heel hard weg!