Dames en heren, volgt u mij?

Samen telden ze om en nabij de 3500 jaar. Om half drie vanmiddag kwamen ze aan; een enkeling met de auto maar de meesten op de fiets. Ze hadden elkaar ontmoet op het dorpsplein om gezamenlijk naar hun bestemming, het langverwachte uitje, te peddelen. Ik ving ze op bij de deur; binnen stond een enthousiaste collega (’Ik ben dól op bejaarden!’) om ze daar verder in goede banen te leiden. Andere collega’s, die toevallig in en uit liepen, konden een lach niet onderdrukken toen ze me zagen staan temidden van een groep ongedurig drentelende ouderen met een gemiddelde lengte van één meter vijfenzestig. Sommige mannen had een pet op, de dames zaten goed in het grijze permanent. De wangen waren roodbeaderd, de schoenen gemakkelijk en de stemming was licht opgewonden.

Binnen kregen ze eerst koffie met cake; ze kruimelden dat het een lieve lust was en gaven hun lege koffiekopjes aan elkaar door, waarna de laatste in de rij ze naast zich neerzette. Toen we eenmaal door het gebouw liepen, waren ze niet meer te houden. Ze kropen overal in, stelden honderd-en-één vragen, maakten kokette grapjes, slaakten kreten en vroegen, met de klinker al in hun hand: “Wat zit er achter deze deur?”

Toen zouden ze weer weggaan, maar dat hadden ze zelf nog niet door. Ze leken er ook niet veel zin in te hebben; ‘t was hier binnen immers aangenaam genoeg! Voor we tactisch konden ingrijpen, stonden ze, omslachtig zoals dat gaat als je in de categorie ‘bejaard’ valt, hun jassen weer uit te trekken en even later zaten ze prinsheerlijk op dezelfde stoel als waar het anderhalf uur daarvoor allemaal begonnen was. Onszelf verbijtend om niet toe te geven aan de slappe lach, improviseerden we erop los. Klappend, joelend en juichend verlieten ze, tezamen 3500 jaar oud, het pand.

Wij waren kapot en zegen uitgeput neer; zij stapten vief weer op hun stalen rossen en aanvaardden uigelaten de terugtocht.

Reageer