Dames en heren, volgt u mij?

Samen telden ze om en nabij de 3500 jaar. Om half drie vanmiddag kwamen ze aan; een enkeling met de auto maar de meesten op de fiets. Ze hadden elkaar ontmoet op het dorpsplein om gezamenlijk naar hun bestemming, het langverwachte uitje, te peddelen. Ik ving ze op bij de deur; binnen stond een enthousiaste collega (‘Ik ben dól op bejaarden!’) om ze daar verder in goede banen te leiden. Andere collega’s, die toevallig in en uit liepen, konden een lach niet onderdrukken toen ze me zagen staan temidden van een groep ongedurig drentelende ouderen met een gemiddelde lengte van één meter vijfenzestig. Sommige mannen had een pet op, de dames zaten goed in het grijze permanent. De wangen waren roodbeaderd, de schoenen gemakkelijk en de stemming was licht opgewonden.

Binnen kregen ze eerst koffie met cake; ze kruimelden dat het een lieve lust was en gaven hun lege koffiekopjes aan elkaar door, waarna de laatste in de rij ze naast zich neerzette. Toen we eenmaal door het gebouw liepen, waren ze niet meer te houden. Ze kropen overal in, stelden honderd-en-één vragen, maakten kokette grapjes, slaakten kreten en vroegen, met de klinker al in hun hand: “Wat zit er achter deze deur?”

Toen zouden ze weer weggaan, maar dat hadden ze zelf nog niet door. Ze leken er ook niet veel zin in te hebben; ‘t was hier binnen immers aangenaam genoeg! Voor we tactisch konden ingrijpen, stonden ze, omslachtig zoals dat gaat als je in de categorie ‘bejaard’ valt, hun jassen weer uit te trekken en even later zaten ze prinsheerlijk op dezelfde stoel als waar het anderhalf uur daarvoor allemaal begonnen was. Onszelf verbijtend om niet toe te geven aan de slappe lach, improviseerden we erop los. Klappend, joelend en juichend verlieten ze, tezamen 3500 jaar oud, het pand.

Wij waren kapot en zegen uitgeput neer; zij stapten vief weer op hun stalen rossen en aanvaardden uigelaten de terugtocht.

Die Hendri(c)kjes toch

“Ik heb geen zin in wéér zoveel verdriet”, zei ik vandaag door de telefoon. “Maar het kan niet anders lieverd, en het is niet erg”, antwoordde de ander. Opstandig volhardde ik: “Maar ik heb er geen zin in.”

Nadat ik had opgehangen, pakte ik het boek dat ik net daarvoor had gekocht in de ramsj, van Hendrickje Spoor, op wier boek Atlantis ik tijdens mijn studie nog eens mijn prille recensentenkunsten had gebotvierd. Desondanks kocht ik dit boek, uit nieuwsgierigheid. Ik nestelde me in de dakgoot en sloeg Het leven bestaat niet open. Het eerste wat ik las:

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar éen wet:
léven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet,
verraden het en dat wíl ik niet.

- H. Marsman

Ik dacht: nou já! (Al voel ik me, wees gerust, een stuk minder pathetisch en is er helegaar geen sprake van een zwarte zieke plek die weggesneden moet worden; trouwens, in mijn optiek kun je verdriet niet wegsnijden, al zou je het soms zo graag willen. Aanvankelijk met je hakken in het zand erken je dat je je verdriet moet doorleven, ervaren… om er niet aan weg te kwijnen. Het aangaan, voelen wat je voelt… dat is nu juist léven. Ja, léven! )

Tik

Op mijn rechterwijsvinger zit een rode bult. Toen de bult voor het eerst in het oog sprong, dacht ik nog: die bult, die gaat vanzelf wel weg. Mooi niet. Hij zit er nu al bijna drie weken en is onverminderd dik en rood. Als ik m’n vinger buig, voelt deze alsof hij rond de 78 jaar oud is en dringend een rollator nodig heeft. Niks leuk dus!

Deze week kwam ik iemand tegen uit een vroeger leven. We kusten elkaar (hij moest een heel eind naar beneden buigen en ik stond op m’n tenen – in mijn oude leven waren de mannen lang) en stonden wat schutterig in de prille lentezon tegenover elkaar. “Ik word reumatoloog”, vertelde mijn oude vriend. Ik maakte een sprongetje van opwinding, wat hem waarschijnlijk in de veronderstelling liet dat ik in al die jaren geen steek veranderd ben, en duwde mijn vinger onder zijn neus. Hij bevoelde, beklopte, bekeek… het ontbrak er net aan dat ie er ook nog aan róók. “‘t Is in ieder geval geen reuma”, sprak hij. “Misschien artritis maar waarschijnlijker een ontstoken pees. Tik je veel met die vinger?”

Verder lezen

Sind Blitze, sind Donner in Wolken verschwunden?

‘Loslaten.’ Ik heb er altijd de pest aan gehad. Ben er ook nooit goed in geweest geef ik eerlijk toe. Daar zal het ongetwijfeld ook wel iets mee te maken hebben. Als het daarentegen om ‘vasthouden’ gaat… . Ja. Dan kan je mij wel om een boodschap sturen. Dat is er min of meer zo’n beetje ingeramd namelijk. Vroeger. Thuis. Vlak voordat m’n kleine zusje en ik naar school liepen bijvoorbeeld. “En denk er aan, Nozzeltje, wat er ook gebeurt: ‘altijd goed je zusje d’r handje vasthouden!”. Nou ik kan u verzekeren: ‘De afdruk van d’r kleine poezelige kleuterhandje staat tot op de dag van vandaag als gegrift in de palm van m’n knuist.’ Tegenwoordig gaat ze met andere mannen hand in hand. Maar goed. Dat is waarschijnlijk dus typisch zoiets wat je los laten moet. Als Grote Broer zijnde. En daar wilde ik het eigenlijk helemaal niet over hebben ook.

‘Loslaten’. Het is me altijd wat tegennatuurlijk voorgekomen. Vroeger op de basisschool al. Als we Apenkooi hadden met gym. Slingerde ik net aan een touw over een denkbeeldig ravijn; kwam degene die ‘HEM WAS’ opeens akelig dicht in de buurt om me af te tikken. ‘Laat los Nozzle, laat dan toch los!!’ schreeuwden m’n klasgenootjes dan geestdriftig en in koor vanaf de kant. Alsof ik werkelijk de enige was die in de smiezen had dat ik boven een ravijn hing. ‘Loslaten? Lekker ben je! Ander keertje weer.’

Verder lezen

D’autres vies possibles

Geen stad die het zo sterk oproept als Parijs; je hangt uit het raam van je hotelkamer en werpt een blik op het gebouw aan de overkant. De buitenkant een onmiskenbaar Parijs appartementencomplex, statig, met hoge, smalle ramen, houten luiken en smeedijzeren balkonnetjes. Daarbinnen spelen zich levens af.

Op de eerste verdieping zie je een tweepersoons bed, een blauwe wollen deken ligt losgewoeld bovenop, daaronder de verfrommelde lakens. In de kamer ernaast zit een man van middelbare leeftijd aan een tafel, met zijn rug naar je toe. Hij draagt een wit t-shirt en een pantalon, zijn witte haren strak achterover gekamd. Hij leest. Op de tweede verdieping zijn de gordijnen gesloten; een handdoek wappert, uitgebloeide planten in de bloembakken. Je vraagt je af wie er woont, leeft, achter die zware gordijnen in een straat in het 10e arrondissement. Je denkt: zou ík dat kunnen zijn? Zou ik daar kunnen wonen, kunnen leven, kunnen zíjn?

Parijs roept het als geen andere stad in me op: het verlangen andere levens te kennen, te leven, te voelen… Hoe zou het zijn als … je een schrijver was in Parijs, een studente Franse taal- en letterkunde, een filosoof, een serveerster of suppoost in een museum? Wat deed je dan als je opstond, met wie ging je om, wat at je, waar keek je naar op teevee, met wie sliep je? Je weet dat je het nooit zult weten; sterker nog: ken je je eigen leven wel? Maar het omhoog kijken langs de gebouwen, de kamers, de levens…

Het miezert als ik de stad weer uitrijd. Ik kijk nog eenmaal op en zie grauwe, verpauperde flats. Hier stapelen de vuilniszakken en levens zich op. Mijn spel verliest zijn charme, in het uitzichtloze, het verlammende van de buitenwijken. Maar de gedachte ‘hoe zou het zijn als…’ laat me nog niet los. Ik huiver. Het is eerste paasdag.

Gekker moet het niet worden

Behoorlijk geschrokken gisterenavond. Het gebeurde tijdens een reclameblok op teevee. Dacht ik toch dat ik alle Rampspoed die een mens kan treffen wel enigszins overzag, blijkt dat ik al vele jaren geen seconde heb stilgestaan bij het feit DAT IK IN DE STEEK GELATEN KAN WORDEN DOOR MIJN MAANDVERBAND!

Verslagen en moegehuild zit je op de bank. In de deuropening staat je maandverband, in beide handen een koffer. “Het spijt me, maar het gaat echt niet meer.” Sporen van opgedroogde tranen op je wangen, een verkreukeld gezicht, een knoop in je maag. Smekend kijk je op. “Maar wáárom dan niet?” Je maandverband verstevigt z’n grip op de koffers. “Omdat ik weet dat je niet met je hoofd bij mij bent. Ik ben het beu om altijd maar de strijd aan te gaan met Tampon.” Met een klap valt de deur dicht. Een misselijkmakende leegte vult je kamer. Je bent in de steek gelaten door je maandverband!

Voor al die willen te kaap’ren varen…

Ik heb sinds enkele maanden een baard. Het heeft weinig zin dat te ontkennen. Een getatoeëerd dolfijntje op de kuit zou zich nog wel laten camoufleren. Zoals het ook geen bovenmenselijke inspanning vergt een tepelpiercing te verhelen of een litteken op je bil met succes in de onderduik te houden. Zo lijkt mij. Met een baard gaat dat niet. Met een baard kan je eenvoudigweg niet een beetje stiekem en intiem tevreden en gelukkig zitten wezen. Om voor de hand liggende redenen.  Een baard is ‘in your face’. Bij mij letterlijk; figuurlijk bij alle baardlozen die ik tref.

Een baard is -als onontkoombaar gevolg van de plaats op het lichaam waar een baard zich nou eenmaal dient te bevinden- ‘out in the open’. En geloof het of niet: een baard wordt opgevat als een statement. En is daarmee voor eenieder kritiseer- en becommentarieerbaar. U hoort mij niet klagen maar je staat er nog van te kijken hoe weinigen die gelegenheid onbenut laten. Ik wel in elk geval. In mijn hoedanigheid van baardkundige heb ik afgelopen kwart jaar vier complimenten mogen ontvangen. Da’s geen hoge score. En dat is ook niks erg, ware het niet dat dit aantal in schril contrast staat met de enorme hoeveelheid blijken van afkeuring die ik me eveneens heb moeten laten welgevallen.

Verder lezen

Doesn’t remind me of anything

Het zit allemaal in schoenendozen, die ik heb versierd met het materiaal van de dag (wasco, viltstift, kleurpotlood -nee, géén kurk jammergenoeg-… alleen de meest recente dozen zijn gewoon blanco ‘doos’ gebleven).

De alleroudste dozen open ik niet. Geen zin in. Alleen die ene; ik ben nieuwsgierig. Lang niet in gekeken. Foto’s, briefjes, entreebewijzen, oude concertkaartjes (Muse, Placebo, Nick Cave, Das Pop, Pixies), polsbandjes van mijn periode als muntjesverkoper (Bruce Springsteen, Rolling Stones, North Sea Jazz, Lowlands), artikelen, aantekeningen gekrabbeld op de achterkant van kassabonnetjes tijdens een filosofisch café, en kaarten, heel veel kaarten. Vooral van één persoon. Ik wist niet dat hij me na het Einde nog zóveel kaartjes heeft gestuurd. Bij het graven in de doos kom ik er telkens weer een tegen; ik ben erdoor verbijsterd. Ik had Geen Idee! Ik lees wat hij geschreven heeft en wat ik destijds blijkbaar niet wilde weten. Het is bijna cryptisch; er wordt veel verwezen naar momenten van contact die ik me niet kan herinneren: ‘toen je me zo blij belde’, ‘het was heerlijk om bij je te zijn’, ‘tot straks’, ‘ ik hoop dat je mij dit weekend toch nog wil zien’ etc. Er worden veel excuses gemaakt voor Akelig of Onachtzaam Gedrag, er worden veel dichtregels geciteerd van Hans Lodeizen.

Ik weet genoeg en doe het kartonnen deksel weer op de doos. Mijn hoofd is aangenaam leeg; wat valt er nu nog over te denken, te zeggen? Ik hoef niet alles (meer) vast te houden en ik ben, achteraf, Dolblij dat ik daar ook toen al toe in staat was. Ik trek mijn jas aan en loop naar buiten de zon in.

Avant la lettre

Marlene Dietrich bracht de laatste 15 jaren van haar leven door in bed, in een appartement in Parijs.

Dat dacht ik zomaar inenen. Wat het zijn, zulke gedachtenflarden, ik weet het niet. Wel weet ik dat het niet zomaar gedachten zijn. Misschien is het… zoiets als Voltaire die 120 liter limonade dronk en zichzelf daarmee van de pokken genas.

Toen dacht ik dus aan Remco Campert. Binnenkort ga ik naar Parijs. Toen ik er voor het eerst was, werd ik straalverliefd, verliefd op de stad, de zware geuren van tabak, parfum en metro… In een café langs de Seine zag ik een man waarvan ik wist dat ik hem kende; nog steeds zie ik hem voor me: zwart halflang haar, een roodgele trui met opgestroopte mouwen, een gezicht als een indiaan.

Elke avond, alleen op m’n hotelkamertje met de gordijnen open om vanuit bed de verlichte Eiffeltoren te kunnen zien, las ik korte verhalen van Remco Campert. Eetlezen, heette de pocket die ik achteloos uit de boekenkast van m’n ouders had geplukt. Ik was 13 en wist niet dat schrijven zó kon zijn. Ik kreeg er geen genoeg van. De ultrakorte, lichte verhalen die tóch zo feilloos de kern wisten te raken; de kern van dat wat je nooit kunt benoemen, wat zich nooit direct onder woorden laat brengen. En daarbij moest ik er verschrikkulluk om lachen. Het waren misschien enkel cursiefjes of ‘logs avant la lettre’ maar dan Helemaal Raak vaak. Om een verhaal over het ‘in een zwembad vertwijfeld ronddobberen’ (in één van die tot mislukken gedoemde pogingen van de mens om meer aan lichaamsbeweging te doen) abrupt te eindigen met ‘…Even later was er nog een oude vrouw aan een hengel.’

Toen ik 13 was moest ik er zo om lachen en nu ik het omgekeerde ben, is het een van die zinnen die af en toe in me op komen en die me onverminderd, elke keer weer, in de lach doen schieten.

Niet alleen omdat ze grappig zijn maar ook door dat onbenoembaar rake ‘je ne sais quoi’.

VinEX

Zouden er veel mensen zijn die op een ‘Vinexlocatie’ wonen en een weblog hebben? Zo ja, dan zal de wereldwijde logmood vandaag niet bepaald himmelhoch jauchzend zijn.

De kans dat je relatie ten onder gaat als je in de nieuwe Vinexwijk bij Utrecht woont, is namelijk 80 procent (las ik in de krant vandaag; in een straat van achttien huizen lagen in dertien daarvan de echtscheidingspapieren klaar, vertelde een verontruste Vinexbuurman) en daarbij lopen Vinexwoningbewoners ook nog eens het risico dat hun huis over twintig jaar ’helemaal uitgeleefd is’, zo vermeldde het radiojournaal later op de dag.

De presentator besloot, rustig en opgewekt, wetende dat hij na zijn gedane presentatiearbeid weer kon terugkeren naar zijn net te kleine maar knusse en ademende jaren ’30-woning: ‘Vinexwijken zijn niet gebouwd op de toekomst.’

Moodswings

Humeur van webloggers in kaart gebracht

(Novum) – Een Nederlands computerprogramma traceert en verklaart dagelijks stemmingspatronen op internet in 150 duizend blogberichten. Dit meldt de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek dinsdag. Het programma, MoodViews genaamd, volgt de stemmingen van twee miljoen webloggers over de hele wereld.

Steeds vaker verschijnen volgens de makers van MoodViews dagboeken of blogs op internet. De meningen en ervaringen van tientallen mensen zijn daarop dagelijks te volgen. De stemming van de bloggers wordt met het programma in de gaten gehouden en omgezet in grafieken. Daarnaast legt MoodViews ongewone pieken in stemming bij bloggers vast.

Verdrietig en niks fijn

“Waarom ween je zoo, Barendje?”, vraagt de meester. Barendje veegt met zijn vuile mouw over zijn betraande wang. “Mijn bootje is gezonken meester”, prevelt hij.
“Da’s verdrietig, Barendje, en niks fijn.”

Vorige week nog op een echte Boot, ongeschonden de overkant bereikt, en dan nu alsnog schipbreuk lijden.