Barendje en het Hongaartje zijn bijna aan de beurt. Sinds januari 2005 staan ze op mijn bureau; de struise, blonde en van gezondheid blozende Barendje -in korte broek met kniekousen- slaat goedmoedig zijn arm om de frêle, breekbare schouders van het zwartharige, magere Hongaartje dat met holle ogen dankbaar naar Barendje opkijkt.
“En, Barendje, is het een aardig Hongaartje?” vraagt meester Van Maanen ‘s middags.
Barendje haalt zijn schouders op. ” ‘k Weet het niet. Hij heeft nog helemaal niks gezegd.”
“Hij denkt zeker: praten, dat zal Barendje wel doen”, plaagt de meester. Maar dan wordt hij ernstig. ” Hij is nog zo klein, Barendje. Wie weet hoe bang hij is. Er zijn kinderen die thuis direct geslagen worden, als ze iets verkeerd doen. Hij weet nog niet, dat jullie hem alles willen geven: eten en kleren… en liefde. Wees maar geduldig.”
Barendje knikt. Hij zucht. Hij had gedacht dat ‘t alleen maar fijn zou zijn: een Hongaartje in huis. Maar ‘t is ook verdrietig.
Uit: Barendje en het Hongaartje van Co van der Steen-Pijpers